Ötzi krijgt een slecht rapport van de tandarts

De neolithische ijsman Ötzi had een bijzonder slechte mondhygiëne. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van de universiteit van Zürich. Wetenschappers brachten het gebit van de ijsmummie voor het eerst met een CT-scan in kaart. De resultaten tonen aan dat Ötzi last had van parodontitis, cariës en tandbreuken.

Onderzoekers van de universiteit van Zürich hebben een uitgebreid gamma aan orale ziektes in de mond van de neolithische ijsman Ötzi teruggevonden. Veel van deze aandoeningen komen ook vandaag nog courant voor. Het gebit van de ijsmummie vertoont ernstige vormen van parodontitis (tandvleesontsteking), cariës (tandbederf) en tandbreuken.

Sinds de ontdekking in 1991 is de mummie al aan tal van onderzoeken onderworpen. Toch was tot nu toe weinig over zijn tanden geweten. Dankzij een nieuwe CT-scan is ook dit lichaamsonderdeel van Ötzi nu in kaart gebracht. De resultaten kunnen wetenschappers meer informatie verschaffen over de eerdere stadia van orale ziektes.

Brood en granenpap

De onderzoekers zijn er ook in geslaagd de oorzaken van Ötzi's slechte tandhygiëne te achterhalen. Genetische factoren liggen naar alle waarschijnlijkheid aan de basis van de parodontitis. Het tandbederf valt dan weer toe te schrijven aan het zetmeelrijke voedsel dat de man at. In het neolithicum kende de landbouw een grote opgang waardoor mensen meer brood en granenpap gingen consumeren.

De tandbreuken zijn stille getuigen van de moeilijke levensomstandigheden waarin Ötzi verkeerde. Een voortand is afgebroken door een mechanisch trauma en ook een kies achter in de mond vertoont een breuk. Mogelijk is die veroorzaakt door per ongeluk op een steentje te kauwen. 

Wie is Ötzi?

Op 19 september 1991 ontdekte een Duits echtpaar een ijsmummie in het Ötztal in Oostenrijk. Al snel bleek het om een man uit de kopertijd te gaan die zo'n 5.300 jaar geleden leefde. Gezien de vindplaats werd de mummie Ötzi gedoopt.

Sinds de ontdekking is Ötzi al uitvoerig bestudeerd. Onderzoek naar zijn eetpatroon, kleding, uitrusting en bewapening heeft veel kennis opgeleverd over het leven op het einde van het neolithicum.