Eenheid in verscheidenheid - William van Laeken

Tien jaar geleden werd de naam ‘Joegoslavië’ ten grave gedragen. Het land had al eerder de geest gegeven, maar na het Navo-bombardement van 1995 hield het gekrenkte Servië nog een tijdlang koppig aan het etiket ‘Joegoslavië’ vast. In 2003 ging het zich al iets bescheidener ‘Republiek Servië en Montenegro’ noemen en drie jaar later – Montenegro was er ondertussen ook vandoor – werd het gewoon ‘Republiek Servië’.

Broederschap en eenheid

Vandaag is de paria van de Balkan de Europese Unie aan het opvrijen. Het wil, net zoals Kroatië, de aartsvijand van weleer, lid worden van de club die vaart onder de vlag ‘eenheid in verscheidenheid’, in de woorden van Herman Van Rompuy. Dat doet mij denken aan de leuze ‘Bratstvo jedinstvo’, Broederschap en Eenheid, van het oude Joegoslavië. ‘Bratstvo jedinstvo, skovao je Tito’ zongen ze tijdens 1 mei-optochten, ’gesmeed door Tito’. Aan elkaar gesmeed is overdreven, maar Tito was er toch in geslaagd de Zuid-Slavische volkeren ruim vier decennia bij elkaar te houden. Met zachte of harde dwang, de ergste opponenten en nationalisten konden nog altijd naar zijn beruchte strafeiland Goli Otok worden gestuurd.

In 1989, toen de doodsklokken begonnen te luiden in Joegoslavië, maakte ik met mijn cameraploeg een tocht van Slovenië in het noorden naar Kosovo in het zuiden. De Slovenen spraken over hun ‘Sloveense lente ‘, nieuwe partijen werden opgericht, het democratiseringsproces leek nog moeilijk te stoppen. We bezochten Gorenje, een bedrijf met 18 vestigingen en 20.000 werknemers. Het maakte huishoudtoestellen waar ze best trots op waren. Meer dan de helft van de productie ging naar het buitenland, ook bij ons in de supermarkt zag je koelkasten van Gorenje. Maar de Slovenen wilden niet langer in de federatie blijven, ze zagen met lede ogen dat een deel van hun lieve centen naar het armlastige zuiden ging. (Klinkt vandaag bekend in Vlaams-nationale oren.) Slovenië, voorbeeldigste leerling van de lastige Balkan-klas, kwam al in 2004 bij de EU en kreeg drie jaar later de euro. Dat leek een tijd goed te gaan, maar vandaag dreigen hun staatsbanken te bezwijken onder rommelkredieten. Privatiseringen moeten nu voorkomen dat het land bij de EU om noodsteun moet bedelen.

Servië in de wachtkamer

Terug naar 1989. In Belgrado moesten we een paar bureaucratische horden nemen om het mausoleum van Tito te kunnen filmen. Het lag in de deftige wijk Dedinje waar veel regimekopstukken woonden en waar de lucht veel gezonder was dan in de vervuilde benedenstad. De aflossing van de wacht was fotogeniek, in glazen kasten lagen de geschenken uitgestald die ‘kameraad maarschalk’ op zijn buitenlandse reizen had gekregen. Dezelfde ruimtes zijn vandaag omgebouwd tot het ‘Museum van de Joegoslavische geschiedenis’. Op hun website lees ik dat daar onlangs een tentoonstelling liep ‘Yugoslavia, from the beginning to the end’. Wat ‘the end’ betreft werd blijkbaar een gemeende poging ondernomen om de jongste geschiedenis te ‘objectiveren’. In de voorbereiding van de tentoonstelling werd met wetenschappers uit de vijf vroegere republieken samengewerkt en dat moet voor Servië, zacht uitgedrukt, een stijlbreuk zijn geweest.

Kroatië wordt op 1 juli het 28ste lid van de EU. Servië is heel stout geweest en heeft daardoor een flinke achterstand opgelopen. Niettemin, de laatste hindernissen op weg naar de start van toetredingsbesprekingen zijn genomen. Lange, stugge onderhandelingen, onder EU-paraplu, hebben geleid tot een begin van normalisering van de betrekkingen met het afgescheurde Kosovo, iets wat voor Servië niet gemakkelijk om slikken was. Een stukje theater van de Servische president kon er dan ook nog wel bij. Deze Tomislav Nikolic heeft zich onlangs op de Bosnische televisie geëxcuseerd voor de moordpartij op zevenduizend moslimmannen in Srebrenica. Nu moet u weten dat Nikolic ten tijde van die slachting vicevoorzitter was van een ultranationalistische Servische partij, waarvan het opperhoofd, Vojislav Seselj, in Den Haag op zijn proces wacht. Een publieke boetedoening dus als ‘onderdeel van een EU-strategie’ (NRC Handelsblad).

Goede buren

In mijn gesprekken met mensen in Joegoslavië-in-tijden-van-oorlog kwamen bijna altijd hun buren ter sprake, hoe goed ze eigenlijk hadden samengeleefd. In Osijek, aan de Kroatisch-Servische grens, zat ik aan een rijk gedekte tafel met een gezelschap van enkele Kroaten en hun Servische buurman Mirko. Ze hadden het over die mooie jaren met elkaar maar terwijl we zaten te schransen werd een eind verder de Kroatische stad Vukovar door de Serviërs aan stukken geschoten. Na de derde fles wijn werd het gesprek agressiever, uiteindelijk werd er nog enkel geschreeuwd en begon de cameraman te vrezen dat hij in de klappen zou delen. In Turbe, een kapotgeschoten negorij in Bosnië, troffen we nog enkele vrouwen aan die niet wisten waar naartoe en dus maar de dag doorbrachten met Turkse koffie drinken. Ze konden maar niet begrijpen, vertelden ze mij, dat mensen die zulke goede buren waren geweest, nu elkaar naar het leven stonden.

We gaan er maar even van uit dat het EU-gebouw standhoudt. In een niet al te verre toekomst kunnen al die vroegere Joegoslavische deelrepublieken daar dan allemaal hun kamertje betrekken. Ironie van de geschiedenis. Ze zullen aan de vergadertafel elkaars handen schudden en goede nabuurschap belijden – dat doen ze trouwens nu al. Hun oorlogen van nog geen twintig jaar geleden hebben aan 140.000 mensen het leven gekost. Straks maken ze opnieuw, zoals in de jaren van Tito, deel uit van een federatie. Waar was deze bloedige omweg voor nodig?

 

(De auteur was VRT-journalist.)

lees ook