Voor elke Blokkendoos vijf échte verhalen - Celia Ledoux

Een ouder had een leerkracht beschuldigd van seksueel misbruik. Begrijpelijk steeg de barometer bij de ouders tot hij plofte – hoe zou u zelf zijn. De komkommertijd was met het nieuwsbericht - "ouders projecteren eigen ambities op hun kroost" - eerder die week officieel geopend; veel ander nieuws was er niet.

Het incident en vooral de boosheid werden telescopisch uitgemeten. Op sociale media kwamen referenties voorbij naar Jagten, de clash van beschavingen en andere grootspraak. Honderd keer een zin die begint met  "Ik ben geen racist maar".

Het incident werd een symbool voor de tweedeling in onze maatschappij.
Het is een makkelijk en toegankelijk verhaal.
Maar waar is het niet.

De buurtouders, de eliteouders

Een paar maanden geleden was er crisis op de school van mijn kleuter. Dat krijg je met zo'n idealistisch start-upje: voor je het weet heb je een gek aan het roer en het goedwerkend schip maakt water.
Ik werd als een soort crisismanager Chinees gevrijwilligerd en hing met ettelijke ouders en andere belangengroepen aan de lijn. Zoals in vele stadsscholen viel de oudergroep uiteen in een bewust kiezende elitegroep – meestal wit, Belg, Nederlandstalig – en een groep  "buurt" - allerlei nationaliteiten, allerlei talen, geen idee van hun redenen.
Die tweede groep belde ik echt met tegenzin. Al een half schoolpoortjaar keken ze scheef naar mijn minirokken van onder zware sluiers. Ze waren heftiger tegen hun kinderen en van een tik keek niemand op – behalve de eliteouders dan. We deelden geen spreektaal. Zelfs voor zo'n multiculti als ik leek het water te diep. Te veel moeite voor weinig contact.

Aan de telefoon losten de barrières op. We bleken exact hetzelfde te wensen voor onze kinderen; dezelfde waarden, dezelfde warmte. Ze hadden hetzelfde opgemerkt, waren over hetzelfde verbolgen, zagen dezelfde oorzaken.
Er kwam een vergadering, waarop ik allerlei decreten en systemen moest uitleggen. Bang was ik niet meer. "Pak het voorzichtig aan, veel ouders zijn analfabeet", waarschuwden de andere eliteouders me.
Aan het eind van die avond schaamde ik me dood, mensen. Na mijn basisschooluitleg met handen en voeten, bleek de ene "kansarme" ouder veiligheidsmanager en de ander vzw-specialist. Die wisten veel meer van de materie dan wij.

Arm maar proper

Een tijd later bleek er toch een verschil.
We overlegden verder en namen besluiten. We deden dat bij mekaar thuis. De enen hadden speelkamers, aparte slaapkamers, huizen die licht en ruim waren. Bij anderen lagen er kinderen in zetels te slapen – dat deden ze elke nacht bij gebrek aan bed of plaats – stond de bezem onder een oud lakentje – geen berghok, en een Ikea-opbergdoos kost een weekbudget eten – kraakten de meubels onder de sleet. De hapjes waren lekker, gemaakt uit goedkope ingrediënten met veel labeur. Ah ja: we laten ons niet kennen.

Ik herkende de eeuwige vochtplekken van onze appartementen vroeger, herkende kinderhoesten die ik ooit zelf had, tocht langs de ramen die mij zoveel oorontstekingen had gegeven. De gezichten van de ouders waren getekend zoals dat van mijn moeder soms. Alle andere mama's waren slank en gekapt en verzorgd en keken verschrikt naar mijn ma. Ze had minder dan zij: aan geld, middelen, rust. Ze had meer: rekeningen, werk, zorgen. Die ouderlijke opvliegendheid, het geschreeuw kon ik ook plaatsen. Voor deze mensen is het balanceren tussen bezwijken en verzuipen. Een dunne richel, die je uitput en je zenuwen blootlegt. Rustig ouderschap is haast niet vol te houden als je elke dag een afgrond in kijkt.

Aan de schoolpoort, de volgende dag, zie je er niets van. Haarspeldjes snoezig, schoentjes en wangetjes geblonken, kleren strak in de plooi. De trots van de arme: aan mij zal je het niet zien. (zijn schrik: zien ze het toch?). Pas pratend met de directie, herken ik weer mijn moeder. Als die vroeger op school iets aankaartte, kende ze ook geen conventies. Ze praatte niet bedaard, ze deed het midden op de gang en liet allerlei gevoelens haar stem overslaan. Op de terugweg bleef ze kwaad, maar dan op mij. Ik haalde al gauw geen schoolmisstand meer aan.
Pas nu begrijp ik wat ze deed : wat ze kon. De directrice kijkt wat meewarig en smalend terwijl ze niet hoort wat de ouder zegt, alleen hoe. Ik kan haar witte, middle class kaart niet trekken. Ik doe anders dan die ouder. Maar ik wil hetzelfde als zij. Ik weet waarvoor ze pleit. Die verbinding is veel dieper.

Ware verhalen zijn geen nieuws

Ouders die met mekaar in gesprek komen; hun gelijkenissen vallen op, vooroordelen smelten.
Dat zijn ware verhalen, maar minder sensationeel. Een beetje plat voor een voorpagina.
Wij ouders werken verder in stilte en serieus. We boeken trage vooruitgang. Af en toe passeert in een mail "rotsituatie, maar ik heb in jullie fijne mensen leren kennen. Merci."
Ja, dat soort meligheid haalt alleen schlagerrefreinen.

Je ziet het overal in Brussel. Een stad waar ik zwerfvuil allang niet meer de wijkmensen verwijt, wel de heersers die hen in de kou laten staan. In mijn wijk is geen zieleadel die minder sluikstort, er wordt meer gestraatveegd.
Waar Vlaanderen één op 10 armen telt, ligt die proportie in het Brusselse veel hoger. Hier wonen naast een romig toplaagje een heleboel hardwerkende, krabbelende armen. Arm maar proper zijn ze, in een vuile stad. Bij elke Brusselaar die ik passeer, zie ik het : dat hawaïhemd uit de kringloop, de verstelde broek, het versleten pak, de uitgeslofte schoenen die toch gepoetst worden. Gaten in de sokken erin weggemoffeld. De Brusselaar verbergt zijn miserie en doet het zo goed mogelijk. Zo proper als hij kan. Hij toont zich van zijn allerbeste kant, als een reclamebord voor zichzelf.
Sinds ik zag hoe goed mijn medeouders het doen in de omstandigheden die hen zijn toegeworpen, apprecieer ik elk van die moedige Brusselaars veel meer.

 

Tweedeling : het zal wel.
Voor elke Kleurdoos zijn er vijf scholen waar je geen sluier meer ziet, maar een moeder die hetzelfde wil.
Maar dat zijn geen verhalen.
En het is komkommertijd.

(De auteur is columniste en schrijfster.)

 

lees ook