Het uur van onze dood - Kristien Hemmerechts

Hoewel ik een groot voorstander ben van de wetgeving rond euthanasie, en ook van een uitbreiding ervan, blijft het iets vreemds en bevreemdends. In principe weten we niet wanneer we gaan sterven. Ik kan terwijl ik dit schrijf door een hartstilstand worden geveld, of onder het puin van mijn huis worden bedolven indien het ontploft, maar ik acht die kans klein. Misschien is dat naïef. Hoe dan ook, de dood kan op elk moment toeslaan, alleen weten we niet vooraf op welk moment. Spannend!

Zelfmoordenaars nemen het heft in eigen handen en kiezen het tijdstip van hun dood, maar ze houden het angstvallig geheim opdat hun plannen niet zouden worden gedwarsboomd. Wie iemand rustig zelfmoord laat plegen, bezondigt zich immers aan ‘schuldig verzuim’ en riskeert te worden gestraft.

Bij euthanasie is het tijdstip wel bekend. Tegenstanders van euthanasie voeren aan dat euthanasie de dood banaliseert. De dood verwordt tot iets wat kan worden besteld, zoals je een pizza bestelt. In werkelijkheid wordt er heus niet over één nacht ijs gegaan. Als je op basis van ondraaglijk psychisch lijden euthanasie aanvraagt, ben je algauw zes maanden zoet met gesprekken en procedures. Ook bij louter lichamelijk lijden (waarbij je je de vraag kunt stellen of het onderscheid tussen fysiek en psychisch lijden zo duidelijk te trekken valt) geven artsen zich niet snel gewonnen. Ze blijven behandelingen en medicijnen voorstellen, zodat de patiënt erg stevig in de schoenen moet staan om bij zijn of haar voornemen te blijven.

Het laatste gesprek

Zijn alle hindernissen succesvol genomen, dan moet er een datum worden geprikt. Zo herinner ik me een lunch met een groepje kennissen. Eén van hen kondigde aan dat hij het dessert waarschijnlijk zou overslaan want om drie uur kreeg zijn vader euthanasie en hij wilde erbij zijn. Iedereen stond met de mond vol tanden. Hoe reageer je? De relatie van die man met zijn vader was niet goed, anders had hij vast die laatste uren met zijn vader willen doorbrengen, maar de aankondiging bleef ‘ongewoon’. Op zijn zachtst uitgedrukt.

Iemand anders vertelde me dat hij op een ochtend een kennis belde. Die kennis zei dat het hun laatste telefoongesprek zou worden. Om één uur kreeg hij euthanasie. De man was hoogbejaard, en had heel veel zware lichamelijke problemen, maar hij woonde alleen en kon dus nog een telefoon beantwoorden. Toch wilde hij dood, en mocht hij dood langs officiële weg.

De grote rust

Vorige zomer vertelde iemand me dat ze euthanasie zou krijgen vanwege ondraaglijk psychisch lijden.


‘Ligt de datum vast?’ vroeg ik. ‘Ja’, antwoordde ze. ‘Wil je weten wanneer?’ Ik wilde het weten. Maar vervolgens was ik me erg bewust van de wegtikkende dagen. En toen het bijna zo ver was, belde ik haar. ‘Je hoeft je niet verplicht te voelen het nu ook te doen. Je kunt terug’, zei ik. ‘Dat heeft geen zin’, antwoordde ze.

Hoe tegennatuurlijk euthanasie wel is, heb ik toen heel intens gevoeld. Met mijn verstand wist ik dat het de beste keuze was, maar mijn gevoel moest zich beheersen om haar niet met man en macht tegen te houden. We zijn ‘geprogrammeerd’ om te kiezen voor leven, anders was de menselijke soort waarschijnlijk al lang uitgestorven. Háár dankbaarheid, en ook die van haar familie waren groot. Het alternatief voor haar was zelfmoord, en dat is veel zwaarder om dragen voor al wie direct of indirect met de zelfmoord wordt geconfronteerd.

Wat misschien in het euthanasiedebat uit het oog wordt verloren, is de grote rust die het vooruitzicht op de dood kan brengen. Ik herinner me een gesprek met een vrouw die uitbehandeld was. Ze was al jaren ziek, had ook goede periodes gekend, maar nu zouden haar nieren het begeven. Mijn man en ik spraken met haar op maandag. Op donderdag, zo zei ze, zou het afgelopen zijn. Wij konden onze tranen niet verbijten, maar zij was opgewekt, vrolijk haast. Ik weet niet of ze haar ‘geholpen’ hebben, zoals dat eufemistisch heet. Is haar morfine toegediend om het een en ander te bespoedigen? Geen idee. Het was geen euthanasie, maar misschien wel palliatieve sedatie (wat artsen verkiezen, omdat de controle dan bij hen ligt, en niet bij de patiënt). Die vrouw ging haast vreugdevol de dood tegemoet. Niet omdat ze haar leven beu was, maar ze had vrede met haar onvermijdelijke levenseinde.

Een nieuw beroep?

Je hoort het vaker van mensen die op de palliatieve afdeling werken: hoe rustig en vredig het daar is, hoe opgewekt en sereen mensen er zijn, ook zij die dus gaan sterven. Dat is, denk/hoop ik dan, een prettig vooruitzicht voor mezelf.

Zo’n vredige dood vergt tijd, tijd voor gesprekken met artsen, met familie, met geliefden, met vrienden. Er moet afscheid worden genomen, en dat doe je niet in één, twee, drie. Daarom denk ik dat artsen niet de geschikte persoon zijn om het spuitje toe te dienen. Zij hebben de handen vol met patiënten die behandeld en genezen moeten of kunnen worden, en kunnen moeilijk tijd vrijmaken voor dit ‘levenseindetraject’. Misschien moet een nieuw beroep worden bedacht, dat van omgekeerde vroedvrouw of vroedman die mensen begeleidt naar ‘de overkant’, met gesprekken en uiteindelijk ook met het spuitje. Ik weet niet of er zich voor dit beroep kandidaten zouden aanmelden, maar ik denk dat ik het (alweer) een prettig vooruitzicht zou vinden, indien er op een dag zo iemand voor me klaar zou staan.

(De auteur is schrijver en docente aan de KU Leuven HUBrussel)
 

lees ook