"Begeleiding en vorming van laaggeschoolden moet beter"

Het aantal mensen dat het onderwijs zonder een minimum aan competenties en attitudes verlaat, moet drastisch worden teruggedrongen. Dat zegt de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (HRW) bij de voorstelling van zijn jaarrapport. De HRW pleit voor een betere begeleiding en vorming, en een vermindering van de arbeidskosten van de lage lonen.
AP2012

Het verschil tussen de werkgelegenheidsgraad van laaggeschoolden (38%), gemiddeld geschoolden (66%) hooggeschoolden (82%) blijft hoog in ons land. Dat zegt de ondervoorzitter van de HRW en directeur van de Nationale Bank van België Jan Smets.

Laaggeschoolden zijn officieel mensen zonder een diploma hoger secundair onderwijs. Ze maken 32% van de bevolking tussen 15 en 64 uit, maar zijn goed voor 42% van de werkzoekende en 53% van de inactieve bevolking.

De HRW beveelt aan om voortijdige schoolverlating te bestrijden door onder meer de bekwaamheden van de jongeren regelmatig te beoordelen, de jongeren zo weinig mogelijk te laten zittenblijven en hen positief te oriënteren in de richting van het technisch en beroepsonderwijs.

In dat opzicht juicht Smets het compromis over het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden toe. Het verschil in statuut leidde immers tot een "stigmatisering" van het technisch en beroepsonderwijs, stelt hij.

Bedrijven moeten onder meer worden gestimuleerd stageplaatsen ter beschikking te stellen voor jongeren. Het verslag toont immers aan dat laaggeschoolden het gebrek aan een diploma kunnen inhalen door werkervaring en op het terrein aangeleerde competenties.

De HRW suggereert ook dat een vermindering van de kosten van de lage lonen bijdraagt tot de creatie van voor laaggeschoolden toegankelijke arbeidsplaatsen.