Crisis, made in the USA - Björn Soenens

“For every job, so many men. Don’t give up.” Een liedjestekst uit de jaren 80 van vorige eeuw, gezongen door Peter Gabriel en Kate Bush. Ja, de werkloosheid daalt (lichtjes) in Amerika. Nog altijd zitten ruim 15 miljoen Amerikanen zonder baan. En ja, de beurzen in de VS bereiken nooit geziene records. Maar: gaat ’t wel zo goed als de cijfers laten uitschijnen? Is de Amerikaanse economie echt gerepareerd? En waarom gaat ’t in Europa eigenlijk nog slechter? It’s the economy, stupid
analyse
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

Krugman & De Grauwe

Volgens Nobelprijswinnaar economie Paul Krugman is het allemaal een kwestie van vraag. Amerika lijdt aan een ernstig algeheel gebrek aan vraag. Investeringen van de overheid zijn enorm gezakt doordat lokale en nationale overheden veel minder inkomsten binnenkregen door de crisis. Als er weinig geld wordt uitgegeven, dan stijgt de werkloosheid. Aangezien bedrijven niet produceren wat ze niet kunnen verkopen, nemen ze dus ook geen mensen in dienst, omdat ze die niet nodig hebben voor de productie. Het is een vicieuze cirkel die een langdurige crisis in stand houdt.

Allemaal bij elkaar proberen Amerikaanse en Europese burgers minder spullen te kopen dan ze kunnen produceren, proberen ze minder geld uit te geven dan ze verdienen. Het resultaat is de economische ravage waar we in zitten, zeggen economen als Paul De Grauwe en Paul Krugman. Ze hebben vermoedelijk een punt.

Buy now, pay later

Voor de crisis losbrak, dreef de Amerikaanse economie op 2 zaken: woningbouw op grote schaal en buitenissig koopgedrag van de modale consument (buy now, pay later). Die twee elementen werden op hun beurt gestimuleerd door hoge en almaar stijgende huizenprijzen. De consument kreeg een vals gevoel van rijkdom. De huizenprijzen bleken echter een bubbel, gebaseerd op onrealistische verwachtingen.

De bubbel spatte uit elkaar en sleurde zowel de bouwnijverheid als de consument mee, en vervolgens de banken en de overheden. Het gigantische schuldenprobleem sloeg toe en Amerika (en de rest van de wereld die snel volgde) belandde al snel in een diepe recessie. Die versterkte op haar beurt het schuldenprobleem, aangezien de productie en de werkgelegenheid daalden en de verliezen van de banken zich bleven opstapelen. Alle spelers in de economie zaten tegelijkertijd met schuldproblemen.

Als miljoenen huiseigenaren op hetzelfde moment hun huis proberen te verkopen om hun hypotheek af te lossen, leidt dat tot kelderende huizenprijzen. Vervolgens gaan nog meer huiseigenaren kopje onder. Als consumenten minder uitgeven in een poging hun kredietkaartschulden af te lossen, raak de economie in het slop, verdwijnen er banen en krijgen we nog meer schulden. That’s the USA today. Dat zijn ook wij.

Sparen is kannibalisme

Wat verstandig beleid lijkt – besparen en bezuinigen om je schulden naar beneden te halen – verergert de crisis nog. Economen noemen het de paradox van de spaarzaamheid. Als iedereen tijdens een economische dip probeert te besparen (en daardoor dus minder uitgeeft) zal het inkomen verder dalen en de economie begint te krimpen. Sparen is dan eigenlijk een vorm van kannibalisme. Het systeem vreet zichzelf kapot. Het inkomen van zowat iedereen daalt, terwijl de schulden gelijk blijven en zelfs nog gaan stijgen.

Een diepe inkomenskloof

Intussen heeft zich tijdens de bubbeljaren vanaf de jaren 90 een andere stille evolutie voltrokken. Terwijl het inkomen van het gemiddelde Amerikaanse gezin tot stilstand kwam (nog opgesmukt door een tweede en een derde baantje), explodeerde het gemiddelde inkomen van de best verdienende 1 procent Amerikanen. Auteur Chrystia Freeland noemt dat “de opkomst van de superrijken en het achterblijven van de rest.”

In de VS is 85 procent van de totale welvaart in handen van amper 20 procent van de bevolking. Hoe ze dat hebben geflikt? Onder meer doordat banken spaargeld van burgers niet meer hoefden te scheiden van grote risicokapitalen. Met andere woorden: door de regels bij banken helemaal los te laten (de deregulering), konden banken voortaan onvervaard beginnen gokken met het geld van al hun inleggers.

In geen tijd was de inkomenskloof in de VS een feit. De achterblijvers werden geprikkeld om schulden te blijven maken om gelijke tred te houden met de rijkere Amerikanen. Zo kreeg iedereen een tweede en een derde auto, maar eigenlijk was alles geleend. Het systeem was een tijdbom, en iedereen wist dat die risicocultuur vroeg of laat moest imploderen. Maar, u kent het gezegde: “Het is moeilijk een man iets te doen begrijpen als zijn salaris afhangt van het feit dat hij het niet begrijpt…"

Voort etterende crisis

En zo bleef de Amerikaanse crisis voort etteren, werd er erg hysterisch gedaan over een ziekteverzekering voor iedereen, over groeiende begrotingstekorten, en kregen extremisten (bijvoorbeeld van de Tea Party) vrij spel. In crisistijden verharden en radicaliseren mensen, zoeken ze vaak naar zondebokken, en groeit de onverdraagzaamheid. Zo ging het rassenprobleem weer opflakkeren, werden immigranten plots verdachte burgers (terwijl ze vroeger in elke Amerikaanse tuin voor een habbekrats de haag mochten knippen, of de kinderen van de crèche halen). Dàt is het deprimerende effect van een blinde bezuinigingspolitiek (ook, en nog veel meer, in Europa).

Bezuinigen doet de economische groei kelderen. Mensen worden op hun beurt voorzichtig. Wie kan, spaart zich te pletter. En net dat leidt tot een economie die op droog zaad zit (en dus moet er nog meer bezuinigd). De cirkel is zeer vicieus. In feite is het een basisles economie die maar moeilijk begrepen wordt. Krugman en de Grauwe schreeuwen het uit: krimpbeleid leidt ook écht tot een krimp.

Zwakke economieën leveren minder belastingsinkomsten op, leiden tot meer uitgaven om een groot leger werklozen op de been te houden. Grote werkloosheid leidt tot het verlies van waardigheid, hoop en toekomstperspectief bij vele burgers.

Geen vrij spel voor speculanten

Amerika heeft 1 groot voordeel tegenover ons, Europeanen. Werknemers in de VS trekken vrij makkelijk van de ene staat naar de andere. Werknemers in Europa doen dat niet. De cultuur- en de taalverschillen zijn in Europa zo groot dat werklozen uit pakweg Spanje niet snel zullen verhuizen naar gebieden waar veel meer werk is, zoals Duitsland. In Amerika doen werknemers dat wél.

In Amerika is er 1 centrale bank voor alle 50 deelstaten. De put van de ene staat wordt mee gedempt door het overschot van de andere. Speculanten hebben dus geen vrij spel op de Amerikaanse markt: ze kunnen niet gokken op grote renteverschillen op de schuld van bijvoorbeeld Californië en Vermont. De Federal Reserve koopt de schulden op door geld bij te drukken. Punt.

In de eurolanden wordt wel volop gespeculeerd op schulden van armere regio’s zoals Spanje of Griekenland. Europese lidstaten kunnen er niet op rekenen dat de Europese centrale bank in geval van nood geld bijdrukt. In Europa worden tekortlanden als Portugal en Ierland gedwongen tot heftige bezuinigingen. Overschotlanden zoals Duitsland bezuinigen (helaas) ook fors, waardoor de hoop op exportgroei in de crisislanden weer wordt ondermijnd en het herstel dus uitblijft. De cirkel is zeer vicieus.

Can we all get along?

Voor economen die Keynes hoog in het vaandel voeren (maak schulden in slechte tijden, bespaar in goede tijden) is het heel helder: overheden moeten zich nu niet kapot bezuinigen. Integendeel, ze moeten net nu nieuwe projecten ontwikkelen: ultrasnelle spoorlijnen, alternatieve energieparken (zon en wind), efficiënter waterbeheer, elektriciteitsnetwerken moderniseren, onderwijs en innovatie stimuleren en financieren. Mensen in nood, zegt Keynes, moet je geld in de portefeuille stoppen, zodat ze het kunnen uitgeven en de economie weer laten groeien.

Bij groei kunnen meer mensen aan het werk. Blijere mensen, welvarender mensen, mensen met mededogen en verdraagzaamheid wellicht. Misschien komt dan het einde van de grote crisis in zicht. De grote crisis die in Amerika begon en al 5 jaar etter spuwt. Soms lijkt de aanhoudende crisis op een lange periode van rellen. Een beetje zoals in L.A. in 1992. Tegen het einde zei Rodney King, om wie het allemaal begon: “Can we all get along?”

(Björn Soenens is Amerikawatcher en chef buitenland bij VRT Nieuws.)