Geen weg terug - Marc Leemans

Op de valreep werd, gegeven de deadline gesteld door het Grondwettelijk Hof, begin juli een compromis bereikt voor het gemeenschappelijk statuut arbeiders-bedienden. In een vorige ACV bijdrage op deze website kreeg u een terugblik. Hierbij ook een vooruitblik.
opinie
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

Er blijft immers behoorlijk wat werk aan de winkel, zoals u in de terugblik al kon lezen.Niet enkel voor de omzetting van het compromis in regelgeving. Maar ook om de losse eindjes vast te knopen. Met voor de beide ongetwijfeld nog heel wat weerstanden, zowel aan werkgevers- als aan werknemerskant. Want de weerstanden die al die jaren hebben gemaakt dat de achterstelling van de arbeiders aanhield, zullen zich ongetwijfeld blijven vertalen in een reeks achterhoedegevechten.

Naar één arbeidsovereenkomst

Eerste uitdaging: het herschrijven van de Arbeidsovereenkomstenwet. Ook al disten de media al snel wat kritiek op van zijlijnjuristen, is het compromisvoorstel van de regering behoorlijk concreet en doordacht. En moet het dus ook zonder te grote moeilijkheden op korte termijn om te zetten zijn in een nieuwe wet. Zonder nog aparte hoofdstukken voor arbeiders en bedienden. Al blijven we de vraag stellen of we niet naar een veel drastischer vereenvoudiging kunnen gaan, waarbij ook de andere aparte arbeidsovereenkomsten (van dienstboden tot handelsvertegenwoordigers) op de schop kunnen worden genomen. Ik heb hier al eerder een lans voor gebroken.

Wat we zeker kunnen missen is discussie over allerlei uitzonderingsregelingen en dus herinvoering van complexiteit, . Want als je de verzamelde werkgevers laat doen, dan moet van die verbeterde ontslagbescherming voor de arbeiders best niet teveel overblijven. Sector na sector komt om uitzonderingen bedelen.

Dat er afwijkingen kunnen worden toegestaan, dat is onderdeel van het compromis. Dat dit uitzondering op de regel moet blijven, is dat ook. Dat heeft Minister van Werk De Coninck trouwens al uitdrukkelijk aangegeven tijdens de eerste parlementaire bespreking. Daarbij is het trouwens evidenter dat er tijdelijke overgangsmaatregelen komen voor sectoren die vandaag verkorte opzegtermijnen hanteren voor de arbeiders, dan dat er structurele uitzonderingen komen. Sectoren met aanzienlijk verkorte opzegtermijnen voor de arbeiders hebben immers een merkelijk langere weg te gaan. En dan is er ook wat voor te zeggen dat ze iets meer tijd krijgen om de achterstand op de bedienden weg te werken. Vergeet trouwens niet dat er geen structurele uitzonderingen meer kunnen komen voor de arbeiders alleen. Ook de bedienden zullen in voorkomend geval moeten worden onderworpen aan die korte opzegtermijnen. De bediendecentrales hebben inmiddels al klaar en duidelijk gesteld dat ze dat absoluut niet zien zitten. Daar zal rekening mee moeten worden gehouden.

Globale oplossing

Het ACV heeft, tegen alle weerstanden in, altijd gesteld naar een globale oplossing te willen gaan, waarbij het geheel van verschillen tussen arbeiders en bedienden verdwijnt. En dus niet het halve werk door enkel de twee discriminaties (carenzdag en opzegtermijn) aan te pakken die het Grondwettelijk Hof kreeg te behandelen in zijn arrest van 7 juli 2011. Het compromisvoorstel ambieert zo’n globale oplossing, met verwijzing naar de tekst van het ontwerp-IPA voor 2011-2012. En dus is het nu ook opgave om die tekst ook verder om te zetten in regelgeving. Dat zou normaliter geen grote problemen mogen stellen. Toch zeker niet voor dossiers als het gewaarborgd loon bij ziekte, het bedrag van de jaarlijkse vakantie en de uitbetaling van het loon (een of twee keer per maand). De tekst van het ontwerp-IPA is op die punten al redelijk concreet. Impliciet is hij ook redelijk concreet inzake de uitbetaling van het vakantiegeld. Voor de arbeiders gebeurt dat vandaag via vakantiekassen. Voor de bedienden betaalt de werkgever. Begin 2011 was er onder sociale partners min of meer overeenstemming om de keuze over de wijze van uitbetaling over te laten aan de sectoren. Die beleidslijn blijft verdedigbaar. Al raakt dit uiteraard ook aan de collectieve aspecten. Want hoe kan een sector überhaupt een gemeenschappelijke keuze maken voor zowel arbeiders als bedienden als er geen gemeenschappelijk sectoraal orgaan is voor arbeiders en bedienden?

Collectieve dimensie

Precies op het vlak van de collectieve aspecten, blijft de tekst van het ontwerp-IPA voor 2011-2012 heel wat vager. Dan gaat het met name over de aparte kamers voor arbeiders en bedienden bij de arbeidsgerechten, de aparte kiescolleges en personeelsafgevaardigden voor arbeiders en bedienden bij de sociale verkiezingen en de aparte paritaire comités voor arbeiders en bedienden. Voor elk van die aspecten zal de druk groot zijn om dit vooruit te schuiven. Dat lijkt me niet de beste keuze.

Wat de arbeidsgerechten betreft is de integratie van de arbeiders- en bediendekamers al bij al geen complexe zaak. Weldra start een nieuwe benoemingsronde voor de rechters en raadsheren in sociale zaken. Als we daarover snel knopen doorhakken, dan moet het mogelijk zijn al voor de volgende mandaatperiode geen onderscheid meer te hebben tussen arbeiders- en bedienderechters.

De kwestie van de sociale verkiezingen is complexer. De volgende zijn weliswaar pas gepland voor mei-juni 2016. Maar om die goed te kunnen voorbereiden mogen de politieke beslissingen echter niet te lang op zich laten wachten. En dus moet zeker beoogd worden nog deze legislatuur op dat vlak knopen door te hakken, in overleg met de sociale partners.
Wat de paritaire comités betreft beseft inmiddels iedereen dat we voor alle sectoren naar gemengde overlegorganen moeten voor arbeiders en bedienden. Het is echter een illusie te denken dat je zulks in zeven haasten kunt regelen. Die integratie zal tijd vergen. Maar we moeten wel nu al de nodige afspraken te maken over een methode en een tijdspad.

Gemeenschappelijke groepsverzekering

Die laatste kwestie raakt aan het dossier van de aanvullende pensioenen. Op dat vlak zijn de verschillen tussen arbeiders en bedienden door de band ongemeen groot. Met alle ongerustheid van dien bij de werkgevers, die vrezen binnenkort te worden geconfronteerd met de claims van arbeiders die de groepsverzekering van de bedienden opvragen. Minister De Croo van Pensioenen heeft inmiddels getracht de werkgevers op hun wenken te bedienen met een wetsontwerp dat vooral beoogt om zeer veel tijd te nemen voor een geïntegreerde regeling, met maar eventjes 2025 als ultieme tijdshorizon. Hetgeen ook leidde tot een merkwaardige opstelling vanuit het werkgeversfront. Want al die tijd beweerden ze bij hoog en bij laag dat het op korte termijn volstond om alleen maar de kwesties van de carenzdag en de opzegtermijn te regelen. Voor de rest kon meer tijd worden genomen. Behalve dan wat betreft de aanvullende pensioenen. Daar kon het niet snel genoeg gaan om met nieuwe regels te komen, zij het dan vooral regels om tijd te winnen.

Nu er via het compromisvoorstel van de regering een globaal kader voorligt, is zeker de basis aanwezig om het overleg over het voorstel De Croo te hernemen. Ook wij beseffen dat bedrijven nood hebben aan rechtszekerheid op het vlak van de aanvullende pensioenen. Maar dan in evenwicht met de rechtmatige vraag van de arbeiders om binnen een redelijk tijdsbestek uitzicht te krijgen op een gemeenschappelijke regeling met de bedienden.

Tussen de oren

Al is die kwestie van de aanvullende pensioenen ook maar een onderdeel van een veel ruimer vraagstuk: het geheel van discriminaties en verschillen die niet voortvloeien uit de interprofessionele regelgeving, maar door sectoren en bedrijven in het leven zijn geroepen. Het zal trouwens aan de sectoren en bedrijven zijn die verschillen stelselmatig weg te werken. Maar waarbij het aan de politieke overheid is om, in overleg met de interprofessionele sociale partners, rechtszekerheid te bieden voor de overgangsregelingen die daarbij worden voorzien. In de discussies valt op dat men het dan vooral heeft over de verschillen in cao’s. Heel het personeelsbeleid is echter doordrongen van dat achterhaalde onderscheid tussen ‘handarbeid’ en ‘geestesarbeid’. En dat er dus ook zeer veel werk aan de winkel is voor elke HR-verantwoordelijke, in elk bedrijf en elk instelling. Om te zorgen dat dat onderscheid tussen arbeiders en bedienden niet enkel in de wettelijke en cao-regels verdwijnt, maar ook tussen de oren.

(De auteur is voorzitter van het ACV.)

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.