De wanhoop van Beke - VDC

‘Patron,’ zei mijn vriend, dobermann en junior partner wijl hij mij de draagbare telefoon – onze nieuwste gadget! – overhandigde, ‘Wouter Beke aan de lijn.’ Ik zuchtte eens.

Eigenlijk hadden wij een zogenoemde “kalme week” ingelast, met het oog op de al even zogenoemde “rentree”, volgende week, maar in de Wetstraat is rust meer dan ooit een relatief begrip, kijkt u de kranten van de voorbije vakantiemaanden er maar op na. De ene steekvlam na de andere losse flodder.

De laatste christenen

‘Dag, meneer Beke,’ sprak ik in de hoorn, waarmee kan VDC het christendom in het algemeen en uw partij in het bijzonder van dienst zijn?’
‘Gij verschijnt af en toe nog op de VRT, heb ik mij laten vertellen.’
‘Inderdaad,’ gaf ik een beetje onwillig toe, want mijn aanwezigheid in de gebouwen van de openbare omroep is een teer punt. Volgens de zevenkoppige hoofdredactie is eenmaal om de twee maanden te weinig om mijn riante maandwedde van vijf cijfers te rechtvaardigen.
‘Het gaat hierom,’ vervolgde de CD&V-voorzitter op aarzelende toon, ‘ziet gij daar aan de Reyerslaan nog talent rondlopen dat wij op onze kieslijsten kunnen uitspelen?’
Een dag eerder had ik al dezelfde vraag gekregen van Bruno Tobback en van Gwendolientje Rutten.

‘U bent er wel wat laat bij, heer Beke,’ zei ik omdat ik nu niemand meer in de aanbieding had, ‘de verkiezingen zijn al volgend jaar in mei.’ ‘Verdorie toch!' sprak Beke met ontgoocheling in de stem, ‘ik vreesde al dat het vet al van de soep zou zijn.’
‘Ik ben zo vrij op te merken dat uw partij ons al Ivo Belet en Veli Yüksel heeft ontfutseld,’ repliceerde ik, ‘bij mijn weten waren dat de laatste christenen van onze crossmediale nieuwsdienst. Ik kan u helaas niet helpen. Tot genoegen.’
Waarna ik de draagbare telefoon opnieuw aan Brabançonne overhandigde, want ik weet niet hoe je die moderne toestellen uit moet zetten.

Perfect gelukkig

‘Patron, zei mijn dobermann (die overigens beeldig stond met zijn fuchsiakleurige bermuda) wijl hij mij de telefoon wederom ter hand stelde, ‘meneer Beke was nog niet uitgesproken.’

‘De christelijke beginselen toegedaan zijn is allang geen vereiste meer,’ hervatte Wouter Beke ons gesprek, ‘anders hadden wij toch nooit Rik Torfs op een verkiesbare plaats gezet. Enfin, ik persoonlijk zou dat nooit gedaan hebben maar ik mag mijn voorgangster Marianne Thyssen niet publiekelijk afvallen.’
‘Dat verandert de zaken,’ gaf ik toe, ‘maar is uw partij wel sexy genoeg om journalisten van de openbare omroep te verleiden? Ik bedoel maar: waarom zou een van ons nog in de politiek gaan, na het afschrikwekkende voorbeeld van Siegfried Bracke? ’
‘Ik heb nochtans gehoord,’ sprak Beke nu op fluistertoon, ‘ dat ***** aanspreekbaar is, dat***** zich geremd voelt en dat ***** nieuwe lucht wil opsnuiven.’
‘Roddels en geruchten, heer Beke. Nog eerder wordt Jan Becaus aartsbisschop van het bisdom Mechelen-Brussel. De collega’s die u noemt zijn perfect gelukkig bij ons,’ jokte ik om bestwil.
‘Ha zo,’ zei Beke, duidelijk niet overtuigd, ‘mijn bronnen beweren nochtans het tegendeel.’
De CD&V-voorzitter liet een strategische stilte, in de hoop dat ik deze met loslippigheid zou vullen. Leer me mijn pappenheimers kennen!
‘Ik hoor het al,’ grommelde mijn correspondent, ‘ge wilt niet meewerken.’
‘U hebt met het ACW toch een goudmijn aan talent binnen handbereik?’ suggereerde ik op misschien iets te ironische toon, ‘waarom moeten het altijd witte konijnen van buiten de christelijke zuil zijn? Of witte lampreien?’’

Ik hoorde een amper bedwongen vloek, een klik en een tuut, waaruit ik afleidde dat de conversatie voorbij was.

Wat kort van stof

Maar nog voor ik ons hoogtechnologische snufje overnieuw aan mijn vriend, dobermann en junior partner kon overhandigen, begon het nogmaals en geheel uit zichzelf te rinkelen. Ik had verdorie opnieuw Wouter Beke aan de lijn!
‘Excuseer dat ik wat kort van stof was,’ verontschuldigde de voorzitter zich, ‘maar hoe zit het met uzelf?’
‘Met mij? Uitstekend, de zaken draaien goed, ik heb niets te klagen.’

‘Hang de onnozelaar niet uit, Van Dievel!’ had Beke willen roepen, maar hij ademde in stede eens diep in en uit, maakte een zacht briesend geluid, snoof luidruchtig, haalde wat slijm op, klakte met zijn tong, en zei toen op verzoenende en zelfs wervende toon: ‘Ik bedoel, vriend (!) Louis (!!), zoudt gij niet bereid zijn een van onze lijsten te trekken? Volgens ons hebt gij eigenlijk een christendemocratisch profiel.’

Ik ben een man met vele gebreken, ik ben de eerste om dat toe te geven, en ik heb in mijn leven vele onherbergzame en duistere paden bewandeld, maar een aanbod van de CVP was mij nog nooit overkomen.
‘Denkt u?’ stotterde ik, van de emotie ongetwijfeld.
'Bright, mean and lean, good looking, attractive, sharp tongue, sharp pen, brillant’ las Beke met een licht Leopoldburgs accent af van een briefje, 'en dat zijn niet mijn woorden, maar die van onze voorman Kris Peeters, een grote fan van u overigens. En Hilde Crevits laat de allerhartelijkste groeten doen. Pieter De Crem en Hendrik Bogaert idem dito. Allemaal willen ze u erbij, allemaal willen ze een plaats zakken, als gij ja zegt.'
'Ik doe het!' riep ik tot mijn eigen verbazing uit.
'Hier tekenen met wijwater,' zei Wouter Beke, die plotseling niet meer aan de lijn hing, maar over mij heen stond gebogen en - vreemder nog - plots de trekken van Brabançonne had aangenomen.

'Patron, gaat het?' vroeg Brabançonne terwijl hij mij met zijn poot lichte tikjes op mijn bezwete wang gaf, ' ge zijt aan het ijlen. Ge moogt niet zoveel wijn drinken bij het noeneten. A propos, Wouter Beke belde daarjuist, maar ik heb gezegd dat ge in een meeting waart . Hij belt over een half uurke terug.'

(De auteur is schrijver en VRT-journalist.)

lees ook