Een dringende karwei – Walter Van Steenbrugge

Verleden week begon in het Franse Nantes een onuitgegeven strafproces. Een Franse première. Een gevangenisdirecteur staat er terecht voor de correctionele rechtbank op grond van de beschuldiging “onopzettelijke doding”, en dit ten gevolge van een moord, negen jaar geleden (24.08.2004) in de gevangenis van Nantes begaan door een gevangene op zijn celgenoot.

De onfortuinlijke celgenoot betrof een jonge man van 25, J.A., die in voorhechtenis zat in afwachting van zijn proces waarin hij terecht zou staan voor mogelijke betrokkenheid in een drugstrafiek.

Hij was voordien nooit veroordeeld en zat nooit eerder achter de tralies. Zijn entourage beschreef de jongen als een zeer zachtaardig iemand die heel slecht voor zichzelf kon opkomen.

J.A. werd als voorlopig gehechte in een cel met twee andere mannen ondergebracht, ditmaal definitief veroordeelden.

“Un loup méchant”

Een van deze twee andere mannen betrof een persoon, S.S., die een sanctie van meerdere jaren celstraf uitzat voor bewezen verklaarde feiten van foltering en barbarij.

Tijdens zijn cellulair bestaan had S.S. reeds aanleiding gegeven tot meerdere incidenten waarbij hij uiterst agressief was tussengekomen en vertoonde zijn profiel een uitgesproken en hoge graad van gevaarlijkheid.

Centrale vraag die vandaag ter tafel ligt van de Correctionele Rechtbank te Nantes is of de gevangenisdirecteur een fout kan worden aangewreven.

De moeder van de gedode man meent dat de gevangenisdirecteur, die moet instaan voor de orde en veiligheid van de gevangenis, nooit had mogen toestaan dat “un mouton” (haar zoon) in een kleine cel diende plaats te nemen bij “un loup méchant”.

Roeien met de riemen die ter beschikking staan?

De advocate van de gevangenisdirecteur kondigde aan te zullen argumenteren dat de directeur maar met de riemen kon roeien die hij ter beschikking kreeg en dat hij nooit een individuele fout, zelfs niet de lichtste, voor de doding mag toegeschoven krijgen.

Uiteraard kan men maar zinnige commentaar geven als men de stukken van het strafdossier kent, maar nu reeds mag de bedenking worden gemaakt of het niet beter ware geweest de overheid zelf als burgerlijke verantwoordelijke ter orde te roepen.

De overheid heeft immers de gebiedende plicht in te staan voor de strafuitvoering, en voor een correcte strafuitvoering.

Zij moet erop toezien dat gevangenen op een menswaardige manier worden behandeld en dat er dus geen mensen in overvolle cellen moeten plaatsnemen.

Barbaarse toestanden verbannen

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft dit principe al herhaaldelijk neergeschreven en lidstaten veroordeeld uit hoofde van schending van dit basis- en mensenrecht.

Maar al even nadrukkelijk heeft datzelfde Hof erop gewezen dat mensen die in voorhechtenis vertoeven en nog geacht worden onschuldig te zijn niet mogen opgesloten worden in units waar ook definitieve veroordeelden opgesloten zitten.

Personen die een voorhechtenis ondergaan, genieten immers nog van het vermoeden van onschuld en dienen daarom een apart regime te krijgen.

Laat nu net de overbevolking van de gevangenissen en het door elkaar verstrengeld zitten van definitief veroordeelden, aangehouden personen in voorhechtenis en last but not least geïnterneerden, de twee majeure pijnpunten zijn die het huidig Belgisch gevangenisbeleid zo negatief kenmerken.

Wachten wij nu, op ons beurt op een soortgelijk feitencomplex als dat van Nantes of stropen we hic et nunc de mouwen op zodat deze barbaarse toestanden stante pede verbannen worden?

(De auteur is advocaat.)
 

lees ook