De verguisde staat - Celia Ledoux

Een paar weken geleden ging het prima. Een week geleden moest ik plots weer op platte rust. Daar is iets vreemds mee, platte rust. Anders dan gewone ziekte laat het je niet toe jezelf naar schoolpoorten te slepen. Je mag niet rochelend blush op je wangen gooien en toch maar die lezing geven. Je moet regelingen treffen voor alles. Ik mag me zelfs heel victoriaans “niet opwinden”.

Het laat je naar jezelf kijken, legt je onwillekeurig stil, en dwingt je te kijken naar de maatschappij. 't Lijkt verdorie wel wat op kluizenaarschap.

Goed: je zegt opdrachten af en hoopt dat ze je nog huren, legt je boek stil, mag geen kleuter oppakken en 'm zeker niet naar school brengen (al kan je ook niet voor 'm zorgen). Je merkt dat je partner alweer verlof moet nemen. Verlof – zelfs uit vakantiedagen – voelt in het economisch denken van vandaag gevaarlijk. Alsof je vraagt om ontslag.
Je wil gezwind Familiehulp regelen en krijgt misschien binnen 3 weken hulp. Je belt Kind&Gezin, maar die hebben alleen 's avonds babysit.
“U zal met vrijwilligers moeten werken, mevrouw”, zeggen die overheidsdiensten. Met geen tot weinig familie keer je naar je stadsvangnet. Hoewel je veel mensen kent, zijn er veel professionele kennissen die je echt niet kan vragen je was te komen doen. De rest zit in dezelfde drukke leeftijd als jijzelf. Ze werken laat, zijn hoogzwanger of pas bevallen, scheiden of emigreren. Let wel: de goedheid van mensen overvalt me. Ze komen stoofpotten brengen en zelfs vreemden helpen.
Mensen zijn geen roofdieren. Ze doen wat ze kunnen. Punt is: veel is dat niet. Want iedereen puzzelt.
 

"Trekt uw plan"

Vreemd hé, mijmeren the Man en ik tegen mekaar: ooit, vroeger, waren schooluren toch niet zo'n probleem? Zijn we tóch niet zo aartslui als bedrijfsleiders en politici je zouden doen denken? Zijn we voor gelijkaardige levensstandaard gewoon langer en harder aan het werk dan onze ouders?
Monica De Coninck vindt dat iedereen met armen en benen moet werken. Ik vraag me af waar ze nog werklozen vindt, en wil ze hun nummer doorgeven? Ze kunnen tegen vergoeding mijn kleine ophalen.

Ik ken wel mensen die vrij zijn: vrouwen van 50 tot 65 jaar. Ze zorgen voor hoogbejaarde ouders, zieke broers en zussen, kleinkinderen en vrienden. Ze zijn een sandwichgeneratie, die nog heel even de zorgkloof overbrugt. Ze zijn uitgeput, en ik maak me over hen wel eens zorgen. Ik maak me ook zorgen om ons allemaal. Straks zijn die vrouwen er niet meer en vraagt onze maatschappij meer dan ooit naar hen.

Straks is het moment dat de staat de “maatschappelijke betrokkenheid” inroept om zorg af te bouwen. Die zinsnede verantwoordt nu al afbouw van staatsinterventie zoals in jeugdzorg en broodnodige sociale diensten, zoals in 1420 weggehakte Antwerpse stadsjobs. Antwerpen bespaart op gezondheid en preventie en zet in op veiligheid. Die zal ook wel nodig zijn als je alle preventie afschaft en de boel onbeheerd achterlaat. Maatschappelijke betrokkenheid is een mooi woord, voor een lelijke bedoeling: “trekt uw plan”.
“U zal met vrijwilligers moeten werken”, is haar praktische, nette vertaling. Maar wie is nog vrijwilliger in een staat waar iedereen moet renderen en werklozen van 9 tot 5 aantoonbaar achter de computer moeten solliciteren? Waar moeten kinderen, ouderen, mindervaliden hun vrijwilligers halen? Hoe moet wie stem, vrienden of geestelijk vermogen mist zijn eigen zorg bijeensprokkelen?

De verguisde staat

Toen Jeroen Olyslaegers mee de Antwerpse geefkeukens trok, sprak hij een dakloze. Het trof hem hoe weinig hen scheidde. Hij had iets meer vrienden, iets meer sociaal vangnet. Misschien, dacht hij, had dat hem op cruciale momenten wel gered van een zelfde lot.

Wat ons van dat lot ook redt, is de blinde solidariteit en herverdeling die vlak na de tweede wereldoorlog aan de grondslag van onze staat lag.
Ik weet het, de staat wordt verguisd. Hij kost geld.
Dat klopt. Ik heb veel geld aan de staat gegeven van het geld dat ik heb verdiend. Ik heb óok ondervonden dat een sociale staat je redt en laat terugveren als je ziek of onverwacht werkloos bent. De laatste jaren wordt de sociale staat in ons land verguisd zoals decennia geleden in de US (het land waar sociaal alles op rolletjes loopt).
Daartegenover: privébanen. Die zijn zoveel meer waard, “want daarvoor hoef je niet te betalen”.
Dat valt tegen. Wij subsidiëren met zijn allen industrie, grootkapitaal en dienstverlening dat het geen naam heeft. Ze dragen nauwelijks bij qua belastingen. Kleine zelfstandigen, die wél steun verdienen, moeten wel betalen. Als het slecht gaat, emigreren die grotere privéfirma's met hun jobs. En hoewel we huilden om Ford, werd er door “hervormingspartijen” brand geschreeuwd dat die oude werknemers door Ford betaald brugpensioen zouden krijgen.

Solidariteit is blind

De afkeurende retoriek dringt desondanks door tot het merg van de staat. Hij zet druk om staatsbeamtes te ontslaan, diensten uit te kleden, zorg op voorwaarde te verlenen. Hulpverlening betekent in sommige steden stilaan dat je managersskills nodig hebt om steun te verkrijgen. Wat steuntrekkers natuurlijk allemaal hebben. Sociale partijen worden in de verdediging gereden. De invloed merk je als commentator en als mens. Met de groeiende en subjectieve voorwaarden die aan zorg gesteld worden, wordt wie verzorgd wordt – de werkloze, de zieke, wie gewoon veel ongeluk had – in publiek en privédiscours een verdachte.

Ook zelf voel ik schrijvend de nood om mij vrij te pleiten. U te vertellen dat wij, ons gezin, het zullen redden, dat men ons graag genoeg ziet. Dat wij productief volk zijn. Ik voel, kortom, de nood u te overtuigen dat ik solidariteit waard ben. Terwijl dat niet hoort uit te maken. Terwijl juist de blindheid van solidariteit dé grondslag is van de welvaartsstaat. Alleen de staat oordeelt of je het waard bent, op menselijke en redelijke basis. Ontmenselijk hem, en je welvaartsstaat wordt van liefdadigheid afhankelijk. Dan geef je als de kop van de ontvanger je aanstaat. Maar een welvaartsstaat hoort niet zoals “The Voice” te functioneren. Hulpbehoevenden horen het te redden zonder goeie PR.

Functioneren

“U zal met vrijwilligers moeten werken.” Het betekent eigenlijk: u verzorgt maar beter uw sociaal weefsel. Kies uw vrienden opportunistisch, zodat u hen als vrijwilliger kan gebruiken. Al bestaat er nauwelijks nog een vrijwilliger, want iedereen doet zijn plicht. Voor vrijwilliger zijn is geen tijd in een land dat overleven voorwaardelijk maakt.
Intussen verlies je, dag na dag, het sociale weefsel dat je op een dag hoort te redden. Want de staat, die kost én teruggeeft, die is blijkbaar niet in de mode. Alleen de staat die u toelaat te functioneren.

lees ook