Mini-job in Duitsland blijkt vaak een valkuil

Het arbeidsmarktbeleid is een van de belangrijke thema's in de Duitse kiesstrijd. Vooral over de mini-jobs en de minimumlonen - of het gebrek daaraan - bestaat nogal wat discussie. De Duitse economie doet het goed en de werkloosheid is relatief laag, maar er is een "maar". Zo oogt in de westelijke deelstaat Noordrijn-Westfalen het economische plaatje niet zo positief, zo blijkt.

Noordrijn-Westfalen is het grootste en belangrijkste economische gebied van Duitsland. Vooral het Ruhrgebied met zijn kolen- en staalindustrie was lange tijd de economische gangmaker, maar die "oude industrie" doet het vandaag minder goed. Enkele cijfers: de werkloosheidsgraad in heel Duitsland ligt op 7,4 procent, maar die in Noordrijn-Westfalen op 8,4 procent.

Om de werkloosheid aan te pakken, breidde de Duitse overheid het systeem van de mini-jobs uit. In heel Duitsland waren er vorig jaar 7,5 miljoen mensen met zo'n mini-job, in Noordrijn-Westfalen 1,8 miljoen.

"Je mag maximaal 400 euro per maand verdienen, en dan hoef je geen belastingen of bijdragen voor de sociale zekerheid te betalen", legt Achim Vanselow van de overkoepelende vakbondsorganisatie DGW uit. De werkgever betaalt wel een forfait aan de sociale zekerheid, maar het is duidelijk: de sociale zekerheid van een mini-jobber is van mindere kwaliteit. Mini-jobbers vind je onder meer in de immobiliën-sector, in de kleinhandel, in de horeca, bij schoonmaakdiensten en in de bejaardenverzorging.

"Als je dit lange tijd blijft doen, heeft dat gevolgen voor je pensioen", zegt Vanselow. "Ik vrees dat de armoede bij ouderen terugkeert."

Doorgroeiscenario: een lege doos?

Bij de vakbond zien ze de sociaal-economische evolutie in het Duitsland van vandaag met lede ogen aan. "De regering heeft inderdaad de werkloosheid doen dalen in de jaren 80 en 90, maar we betalen een prijs", verklaart Achim Vanselow. "De nieuwe jobs zijn minderwaardig: mini-jobs, deeltijds werk, tijdelijk werk, enzovoort. We zijn een groep van werkende armen aan het creëren."

Brutoloon is gelijk aan nettoloon: het klinkt aantrekkelijk, maar in de praktijk pakt dat volgens de vakbond anders uit. "De lonen van de mini-jobbers worden vooraf al lager gezet, zodat ze sowieso minder verdienen in vergelijking met hun collega's die een gewone baan hebben, mét de volle sociale zekerheid."

"Het was de bedoeling om mini-jobbers uit de werkloosheid te halen en ze later te laten doorstromen naar een gewone baan", weet Achim Vanselow, "maar tien jaar later moeten we vaststellen dat zoiets niet vaak gebeurt." De DGB ziet vaak carrières met een afwisseling van mini-jobs en periodes van werkloosheid. "Het systeem van mini-jobs blijkt een valkuil", zegt Vanselow.

De vakbond blijft vragende partij voor betere banen, mét een degelijke sociale zekerheid. "Gelijk loon en gelijke behandeling voor gelijk werk", noemt Vanselow dat. "Mini-jobs of tijdelijk werk is geen goede zaak voor jonge mensen die een gezin willen stichten." Hij erkent dat flexibiliteit op de arbeidsmarkt noodzakelijk is, maar te veel flexibiliteit heeft volgens hem geleid tot vormen van sociale uitbuiting.

Maar in Berlijn lijken ze niet echt oren te hebben naar de verzuchtingen van de vakbonden, want niemand spreekt zich echt uit tégen mini-jobs. De werkgevers vinden het systeem prima, maar ook middenklassengezinnen, die op die manier een aanvullend loon hebben, zijn vaak voorstander.

Mag het iets méér zijn?

Over de kwestie van de minimumlonen lijkt er wél verbetering mogelijk. "Wij vragen een minimumloon voor iedereen, zoals in de andere Europese landen", zegt Achim Vanselow. De vakbond pleit al jaren voor een uurloon van minstens 8,50 euro. Volgens cijfers van de DGB zijn er vandaag 8,1 miljoen zogenoemde kleinverdieners in Duitsland, een relatief grote groep.

In het verkiezingsdebat met haar sociaaldemocratische uitdager Peer Steinbrück heeft bondskanselier Angela Merkel aangegeven dat er te praten valt over een minimumloon. Maar het is de vraag wat ze bedoelt met een minimumloon.

Tot nu toe tonen haar CDU en hun liberale coalitiepartner FDP zich voorstander van een minimumloon sector per sector. De concurrentiepositie van de sectoren is daarbij het uitgangspunt. "Dan krijg je ongelijkheid", zegt Achim Vanselow. "In de zwakke sectoren zijn er meestal geen sociale partners om te onderhandelen over de invoering van een minimumloon. Dat is een probleem, want daar is het het meeste nodig."