Voetbal in China is zoveel meer dan sport alleen

Het zal vrienden en collega’s die mijn geringe affiniteit met sport kennen wellicht verbazen, maar ik zou iets kwijt willen over het Chinese voetbal. Enigszins opportunistisch misschien, want terend op de recente overwinningsroes in België. Maar ook, ongetwijfeld, omdat voetbal in China zoveel meer is dan sport alleen. Dat weten we nog van de affaire-Ye in het midden van het vorige decennium, beter bekend als het schandaal van de gokchinezen. En ook vandaag blijven politieke bevoogding, corruptie en andere dubieuze praktijken het Chinese voetbal parten spelen. Interessant dus, zelfs voor wie niet echt gefascineerd is door sport.

China staat allesbehalve hoog aangeschreven als voetballand. Om het in cijfers uit te drukken: volgens de rangschikking van de FIFA bekleedt het nationale team de 99e plaats in de wereld. Niet meteen iets om trots op te zijn.

België heeft het sinds kort geschopt tot zesde op de lijst (vandaag geeft de verse ranking ons land misschien een nog betere plaats) en ik wil geen open deuren intrappen, maar als we grootte en inwonersaantal vergelijken is dat voor de Chinezen nogal vernederend. Al zullen de meeste Chinezen hun voetbalniveau niet meteen vergelijken met dat van België, maar des te meer met dat van historische aartsrivalen Japan en Zuid-Korea, die het in Azië relatief goed doen op het groene veld.

Chinezen lopen zelf dan ook niet hoog op met hun eigen voetbal, en dat is een eufemisme. Als er vlakbij waar ik woon een wedstrijd plaatsvindt in het gerenommeerde Workers’ Stadium, dan lijkt de sfeer op voetbalgekte eender waar ter wereld, met wapperende vlaggen, toeters en sjaals, gejuich en gejoel. Maar over het algemeen supporteren Chinese voetbalfans meer voor Britse, Duitse of Spaanse ploegen dan voor hun eigen teams. Veel Europese wedstrijden worden overigens uitgezonden op de Chinese televisie. Een match van de Engelse Premier League trekt hier gemiddeld tussen 100 en 300 miljoen kijkers.

Beschamende resultaten voor Chinese ploeg

Het is al jaren de ambitie van China om deel te nemen aan de World Cup. De laatste keer dat dat lukte was in 2002. De Chinezen maakten toen geen enkel doelpunt. Op een kwalificatiewedstrijd voor het WK van 2010 werd het Chinese nationale team beschamend uitgeschakeld door Irak, een land getraumatiseerd door oorlogen. En ook voor Brazilië 2014 bleef kwalificatie uit. Dit jaar kwamen er nog wat affronten bij. In juni verloren de Chinezen een vriendschappelijke match tegen Oezbekistan, niet bepaald het sterkste team ter wereld, en een paar weken later werden de Chinese spelers op eigen veld met 5-1 afgemaakt door Thailand, dat tientallen plaatsen lager staat in de FIFA-rangorde.

Er volgden rellen en woedende commentaren op de sociale netwerken. Ook de door de communistische partij gecontroleerde pers kon zijn ongenoegen over de belabberde prestaties nauwelijks onderdrukken. "Een geschiedenis van schaamte" of "Gebrek aan balbezit, gebrek aan teamwerk en gebrek aan vechtlust", zo luidden enkele titels. Grappen waren evenmin van de lucht. "Slechts twee dingen kunnen de Chinese spelers afhouden van deelname aan internationale wedstrijden: hun linkervoet en hun rechtervoet."

Hier en daar werd gesuggereerd dat de nationale ploeg zich had laten omkopen om Thailand te doen winnen. En daarmee komen we bij een van de grootste problemen in het Chinese voetbal: de corruptie. De manier waarop zakenman Ye indertijd massaal geld zou hebben verdiend aan Belgische wedstrijden met omgekochte voetballers en trainers vloeide voort uit een praktijk die in China al decennialang legio is. Net zoals elders in de maatschappij is omkoping een schier normale zaak geworden. Of om het met de woorden van de eigenaar van een Chinees voetbalteam te zeggen: "Negen van de tien Chinese scheidsrechters hebben ooit geld aangenomen om een match te ‘fixen’."

Corruptie is diepgewortelde praktijk

Vier jaar geleden begon toenmalig partijleider en president Hu Jintao met een campagne om een einde te maken aan de omkooppraktijken in het Chinese voetbal. Sindsdien werden tientallen bekende figuren uit het Chinese voetbal gearresteerd en veroordeeld. Onder hen twee vicevoorzitters van de Chinese Voetbalbond – ze kregen elk 10,5 jaar gevangenisstraf en een zware boete -, een voormalige kapitein van het nationale team, vier topspelers en een populaire scheidsrechter. Of de grootschalige corruptie daarmee achter de rug is lijkt hoogst twijfelachtig, daarvoor is de praktijk te diepgeworteld.

Het Chinese voetbal kampt overigens met nog een hele reeks andere problemen. De instroom van beloftevol jong bloed is daar een van. Niet verwonderlijk, want de overheid maakt weinig werk van de popularisering van voetbal bij kinderen en jongeren. Op school is er naast het overvolle studieprogramma nauwelijks tijd voor sportactiviteiten, en er zijn ook onvoldoende geschikte sportterreinen. Door de slechte naam die het voetbal heeft gekregen zijn er overigens weinig ouders die hun enige kind in de richting van een voetbalcarrière willen sturen. China telt nog geen 10.000 geregistreerde jeugdspelers, het veel kleinere Japan niet minder dan 300.000

Het gevolg zijn bijzonder middelmatige spelers, en alles behalve professionele voetbalploegen. De enige club die het vrij goed doet in de Chinese Super League is Guangzhou Evergrande, uit Kanton. Vooral op het niveau van de Aziatische competitie scoort de ploeg, ze is onlangs doorgestoten tot de finale van de AFC Champions League. Een pluim op de hoed van de Italiaanse trainer Marcello Lippi. Hij is een van de vele westerse voetbaltoplui die door Chinese ploegen voor (heel) veel geld werden aangetrokken, en een van de weinigen die een positief resultaat kan voorleggen.

Evergrande is eigendom van de gelijknamige immobiliënmaatschappij, en die spaart kosten noch moeite om de ploeg enig niveau te doen behalen. Een voetbalploeg sponsoren is goed voor de ‘guanxi’, de o zo belangrijke connecties in de Chinese wereld van politiek en zaken. Geld is dus geen probleem in het voetbal hier. Zo zou club Shanghai Shenhua de op zijn retour zijnde ex-Chelseavoetballer Didier Drogba ruim 200.000 euro per week (!) hebben betaald om het niveau van de ploeg op te krikken. Meer dan een half jaar hield Drogba het overigens niet vol in Shanghai. En David Beckham zal het ambassadeurschap van het Chinese voetbal ook niet gratis hebben aanvaard.

Politieke beïnvloeding

Tenslotte is er nog het structurele probleem van de sport in China: de politieke beïnvloeding. Zoals op zowat alle maatschappelijke terreinen heeft de communistische partij een flinke vinger in de pap bij belangrijke beslissingen in het voetbal. De Chinese voetbalbond danst dus naar de pijpen van de overheid. De FIFA mag dan al herhaaldelijk hebben gepleit voor een onafhankelijke professionele associatie, daar is voorlopig geen sprake van. Wat maakt dat beslissingen vaak zijn gebaseerd op bureaucratische overwegingen. Met geld kan je veel bereiken, zoals de economische ontwikkeling van de voorbije decennia heeft aangetoond. Maar voor de ontwikkeling van een degelijk voetbalniveau is er veel meer nodig.

Nogal wat Chinezen stelden hun hoop in de nieuwe partijleider en president Xi Jinping. Van hem is al lang bekend dat hij een groot voetballiefhebber is. Enkele jaren geleden liet Xi weten dat hij een driedubbele voetbaldroom heeft: een Chinese kwalificatie voor het WK, China als gastland voor het WK, én een overwinning op het WK. De eerste droom kan Xi met heel veel geluk nog meemaken vóór het einde van zijn ambtstermijn in 2023. De tweede theoretisch ook, als hij lang genoeg leeft, in 2030 of 2034. De laatste, dat lijkt voor zijn generatie helemaal onrealistisch.