Oliecrisis maakt eind aan optimisme jaren 60

Op 17 oktober 1973, 40 jaar geleden, kondigden enkele Arabische landen een olieboycot af tegen het Westen, een strafmaatregel voor de westerse steun aan Israël tijdens de Jom Kipoeroorlog. Op die boycot volgde een drastische prijsverhoging. De oliecrisis leidde tot een diepe economische crisis die jarenlang zou duren en maakte ook een eind aan het optimisme van de sixties.
AP1973

In oktober 1973 gaan de Egyptische en Syrische strijdkrachten in de aanval tegen Israël. Het is Jom Kipoer, een belangrijke joodse feestdag. Israël is totaal verrast. Het Arabische offensief is gedurende de eerste dagen succesvol, maar uiteindelijk kan de joodse staat de Arabische aanval toch afslaan.

De Arabische landen van de OPEC, de organisatie van olie-exporterende landen, proberen hun Egyptische en Syrische broeders te steunen in hun strijd tegen Israël, dat wapens geleverd krijgt van zijn westerse bondgenoten. Ze grijpen naar het oliewapen en draaien de oliekraan grotendeels dicht. Daarnaast komt er ook een fikse prijsverhoging, net op het moment dat het in West-Europa vroeg begint te winteren.

De duurdere olie geeft een flinke impuls aan de Arabische economieën uit de Golfregio.

AP1973

Vrees voor schaarste blijkt ongegrond

De Belgische en Nederlandse overheid vrezen voor energieschaarste en voeren een reeks maatregelen door om het olieverbruik te beperken.

De meest zichtbare maatregel is de invoering van de autoloze zondagen, eind 1973. Lege autostrades: het biedt een surrealistische aanblik. Voor de enen zijn de autoloze zondagen een beproeving, voor de anderen zijn ze een zegen. Jongeren genieten van fietstochtjes op de anders zo gevaarlijke snelwegen. 

In sommige landen gaat benzine op de bon. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld mogen automobilisten met een even nummerplaat alleen maar tanken op dinsdag, donderdag en zaterdag, die met een oneven nummerplaat op maandag, woensdag en vrijdag.

AP1973

Met die olieschaarste blijkt het uiteindelijk nog best mee te vallen. De brandstofrantsoenering blijkt overbodig, de autoloze zondagen leiden niet tot een kleiner brandstofverbruik en de grote oliemaatschappijen kunnen een beroep doen op olieproducerende landen die geen lid zijn van de OPEC. De rantsoenering en de autoloze zondagen worden weer afgevoerd.

Maar de oliecrisis heeft wel degelijk gevolgen. De babyboomgeneratie van de sixties gaat beseffen dat de bomen niet tot in de hemel groeien en dat altijd méér en méér een illusie is. Jonge gezinnen die er het voorbije decennium alsmaar op vooruit zijn gegaan, gaan uit vrees voor een donkere toekomst op de rem staan. Er wordt bespaard op het gezinsbudget: kwestie van een appeltje voor de dorst te hebben voor als het echt mis loopt. De welvaart blijkt broos.

AP1973

Donkere wolken boven de welvaart

Bij de Arabische oliesjeiks stromen de oliedollars vlotjes binnen na de oliecrisis, maar in het Westen leidt de dure olie tot een dalende consumptie, minder werk, meer faillissementen, een stijgende werkloosheid, grotere begrotingstekorten en een hogere staatsschuld.

In ons land bijvoorbeeld verdubbelt de staatsschuld tegen 1979. De overheid moet noodlijdende bedrijven financieel ondersteunen en moet alsmaar meer werkloosheidsuitkeringen uitbetalen. Dat leidt dan weer tot oplopende begrotingstekorten.

"De tering naar de nering zetten" is in de jaren 70 nog geen politieke optie; pas in de jaren 80 zullen de Belgen het gelag betalen voor de gevolgen van de oliecrisis, met een beleid van zware besparingen en een forse devaluatie van de Belgische frank. In zekere zin is de hoge Belgische staatsschuld van vandaag nog altijd het gevolg van de oliecrisis en de maatregelen - of het gebrek daaraan - die erop gevolgd zijn.

Zuiniger gaat ook

De oliecrisis zet een aantal beleidsmakers ook aan het denken. Een te grote afhankelijkheid van één energiebron, dat is vragen om problemen. De belangstelling voor alternatieve energie wordt groter en er wordt meer geïnvesteerd in zonne-energie en windenergie.

Ook de discussie over kernenergie laait op. Volgens de energiesector een prima alternatief voor die olie uit het buitenland, maar volgens de milieubeweging een veiligheidsrisico en een radioactieve bedreiging voor het milieu.

De dure benzine zet de auto-industrie aan om zuiniger wagens te gaan produceren. Daarmee is het lot van de grote Amerikaanse wagens bezegeld, die te veel benzine slurpen. Autoconstructeurs zoals General Motors en Ford verliezen terrein ten voordele van de kleine en zuinige wagens uit Japan en Europa. Ook nieuwe vliegtuigen worden zuiniger.

De oliecrisis van 1973 leidde tot de eerste grote economische crisis van na de Tweede Wereldoorlog. Het optimisme van de golden sixties lijkt vandaag een ver verleden.

Meest gelezen