Tea Party-denkbeelden en geografie - Bert De Vroey

Nu de Republikeinen en Democraten in het Amerikaans Congres weer even op de pauzeknop hebben geduwd en de discussie over schulden, overheidsuitgaven en de ziektewet voor zich uit hebben geschoven, rijst de vraag hoe het in godsnaam mogelijk is dat ze zich zo dicht bij de afgrond hebben gewaagd.
analyse
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

In Europa hoor je dan meestal verbijsterde kreten over die domme en fanatieke republikeinen, alsof het om een exotisch en excentriek verschijnsel gaat. In werkelijkheid zit er een sociologische en zelfs geografische logica achter de visie van de radicale Tea Party-vleugel. Het belang van de geografie is in de internationale politiek opnieuw erkend: bergketens, handelsroutes of zeestraten kunnen net zo’n bepalende rol spelen als ideologieën of culturen. Maar ook in de binnenlandse politiek oefenen sociaal-geografische factoren een belangrijke invloed uit.

Knoeien met kieskringen

Om te beginnen is er een vrij banale geografische verklaring voor de onbegrijpelijk halsstarrige opstelling van de republikeinse hardliners in het Huis van Afgevaardigden. Die worden verkozen als vertegenwoordiger van een geografisch beperkt kiesdistrict - 1 volksvertegenwoordiger per district. Nu worden die districten af en toe hertekend, op basis van de tienjaarlijkse volkstelling. Heeft een staat in die tien jaar (relatief) meer inwoners aangetrokken, dan krijgt die een extra kiesdistrict en volksvertegenwoordiger. Is de bevolking van de staat gedaald, dan wordt er een district en zetel afgepakt.

Bij die herschikking worden de grenzen van de districten hertekend. Dat gaat doorgaans gepaard met een onvervalste koehandel tussen de twee partijen: die willen zich verzekeren van evenveel zetels als voordien. Daarvoor snoeren ze zo nodig, met onderlinge toestemming, hun vermoedelijke wingewesten zoveel mogelijk in één corridor of kringgebied - om zeker te zijn van de zege. Je hebt dus voornamelijk veilig-democratische en veilig-republikeinse districten. Een typisch democratisch district is bijvoorbeeld een gebied met veel zwarte (en doorgaans armere) stads- of stadsrandswijken. Een republikein maakt daar geen schijn van kans. Een typisch republikeins district is bijvoorbeeld een small town met veel blanke landbouwers of kleine nijverheid. De voorverkiezingen binnen de partij zijn in dat soort districten veel belangrijker dan de strijd tussen de partijen.

De kiesdistricten weerspiegelen en versterken op die manier maar al te vaak de sociale en raciale segregatie van Amerika. Wie in zulk homogeen district verkozen wordt, voelt er weinig voor om een genuanceerde koers te varen of om op zoek te gaan naar een redelijk compromis. Integendeel: de kiezers naar de mond praten is de beste garantie om - om de twee jaar ! – herkozen te raken. Voeg daarbij de invloed van financieel sterke drukkingsgroepen die een campagne kunnen maken en kraken (ook in de voorverkiezingen), en je begrijpt waarom verkozenen uit een ideologisch rechtlijnige kieskring een al even rechtlijnig discours zullen hanteren.

Malls en meer

Maar er is meer. Behalve die electorale berekeningen spelen ook diep gewortelde overtuigingen een rol, met name over de rol en de omvang van de overheid. Ook die hebben te maken met geografische omstandigheden.

Er zijn tientallen miljoenen Amerikanen die in feite weinig of niets van openbare voorzieningen gebruiken – of die althans niet het gevoel hebben die te gebruiken. Wie in de omgeving van een small town woont in het binnenland kent vaak niet eens het simpele fenomeen van een stadscentrum, met winkels en parkjes en voetpaden en speeltuintjes, dat door de gemeente onderhouden wordt. In plaats daarvan gebeurt het winkelen in benzinestations of in private malls, waar zelfs de parking al het werkterrein is van privé-agenten. Joggen of sport doen ze in de (private) fitness, en hun kinderen gaan niet zelden naar private scholen of krijgen thuis onderwijs. Hun vriendschapsrelaties vinden ze in de sfeer van de kerk of de sportclub van de kinderen - verenigingen die draaien op privaat geld en private inzet. (Het mag trouwens gezegd dat het Amerikaanse verenigingsleven en de belangeloze inzet van vrijwilligers soms diepe indruk maken).

Amerikanen die op die manier leven ervaren enkel de straten waarover ze rijden (want lopen doen ze zelden) als nuttig openbaar domein. Geen wonder dat ze een heilige afkeer koesteren van belastingen, of dat ze zich verzetten tegen gesubsidieerd openbaar vervoer naar een verloederd of akelig leeg stadscentrum waar ze niet willen komen. Die openbare voorzieningen zijn er enkel nog voor de armste lagen van de bevolking. Het is cynisch dat urban (stedelijk), black (zwart) en poor (arm) in veel regio’s haast synoniemen zijn geworden.

De Amerikaanse Droom

Dezelfde vervreemding van het openbaar domein vind je ook in de gezondheidszorg. Een ziekteverzekering is geen vanzelfsprekend goed dat van overheidswege aan iedereen gegarandeerd wordt, maar een onderdeel van een salarispakket waarover je bij sollicitaties hard moet onderhandelen. Kwalitatieve gezondheidszorg wordt op die manier iets wat je verdient - omdat je hard werkt of omdat je talentrijk en slim bent. Dat Obama nu zelfs die ziekteverzekeringen van overheidswege wil subsidiëren, staat haaks op die breed gedeelde visie.

Een Tea Party-dame vertelde me ooit waarom ze tegen studiebeurzen was. Zelf had ze als meisje een paar jaar extra over haar studies gedaan omdat ze tegelijk moest werken om het allemaal te kunnen beredderen. Waarom zouden anderen dan zomaar uit de hand van de regering kunnen eten? Je botst in de VS voortdurend op een diep geworteld en doorgeschoten idee van zelfredzaamheid – gecombineerd met een harde en harteloze veroordeling van al wie zich niet weet te redden. Het is de koude keerzijde van de dynamische en dynamiserende American Dream.

De rand en het centrum

Grootstadbewoners, ook in Amerika, hebben doorgaans een natuurlijker aanvoelen van het openbaar domein en het belang van een goed functionerende overheid. Ze gebruiken openbaar vervoer, rekenen op schone en veilige straten, winkelen in kleine winkels die grenzen aan openbare trottoirs, joggen in parken en sturen hun kinderen heel vaak naar openbare scholen. Voor hen is de overheid geen bemoeizieke vijand maar een noodzakelijke dienstverlener – die al dan niet in gebreke blijft. In de grootsteden vind je vooral democratische kiezers, al zijn onafhankelijke republikeinen met een centrumkoers allerminst kansloos (kijk maar naar Bloomberg in New York).

Het grote strijdtoneel van de moderne Amerikaanse politiek bevindt zich in de nieuwe en uitdijende suburbs en exurbs: voorsteden en slaapsteden, vaak voor de betere klassen. Die leven in het weekend grotendeels in de zelfgekozen privé-verbanden van buurt, kerk en vereniging. Tegelijk werken ze vaak in steden, voor universiteiten of overheidsdiensten, en ervaren op die manier het belang van openbaar domein en overheid. Het zijn de swing voters bij uitstek – twijfelend tussen de democratische boodschap van solidariteit en het republikeinse idee van absolute zelfredzaamheid.

Het drama van veel Amerikaanse steden en small towns is juist de afscheuring en verzelfstandiging geweest van de rijkere randgemeenten en voorsteden – waardoor ze niet langer moesten meebetalen voor het onderhoud van de verloederde stadscentra, en waardoor die stadscentra nog verder gingen verloederen. In het verhaal over het faillissement van Detroit wordt dat aspect veel te weinig vermeld: niet enkel de jobs zijn weggetrokken uit Mo-Town, maar ook de belasting betalende verdieners.

De kloof

De kloof tussen arm en rijk, of tussen welvarend en precair, heeft in de VS een duidelijk politiek-ideologische component. Aan beide kanten vertroebelt de ideologie de zin voor realiteit. De welgestelden geloven al te graag dat hun succes louter het resultaat is van hun eigen talent, ijver en ondernemingszin - alsof aspecten als sociale herkomst en kansen geen rol zouden spelen. De armen geloven iets te vaak dat hun armoede geheel en al het gevolg is van een in gebreke blijvende overheid. Armere Amerikanen stemmen democratisch, welgestelden kiezen (meestal maar niet altijd) republikeins. Zo wordt het makkelijk voor beide partijen om van elkaars kiezers een karikatuur op te hangen – en wordt de polarisatie en halsstarrigheid nog versterkt.

Met goede bedoelingen alleen zal die kloof niet overbrugd geraken. De sociaal-geografische voedingsbodem van een levensstijl met weinig overheid is zo wijd verspreid dat er nog lange tijd een militant anti-overheidsdiscours kan voort bestaan. De sociale en culturele armoede van de laagste klassen is tegelijk zo uitzichtloos en diep verankerd, dat ook van die kant weinig vernieuwende of verfrissende impulsen moeten worden verwacht.

Of dat alles een exclusief Amerikaanse ontwikkeling is, en of er geen parallellen zijn te ontwaren met politieke debatten bij ons en in Europa - die vragen laat ik graag aan de lezer over. Eén les heb ik nochtans uit Amerika meegebracht: kijk uit met shopping malls. Als je de markt uit de openbare ruimte verbant, dreig je de ziel ervan te doden.

(De auteur is buitenlandredacteur bij het VRT-journaal. Voor de radionieuwsdienst volgde hij 13 jaar de Amerikaanse politiek. Hij schreef het boek De Kleuren van Amerika. Spiegel voor Europa.)