Twintig jaar verdrag van Maastricht - Elisabeth Lannoo

Precies twintig jaar geleden – op 1 november 1993 - werd het Verdrag van Maastricht van kracht. Het verdrag betekende een grote sprong voorwaarts in de Europese samenwerking en bepaalde in belangrijke mate hoe de Europese Unie er vandaag uit ziet.

Met het Verdrag van Maastricht werd de Europese Gemeenschap méér dan louter een gemeenschappelijke markt en werd politieke samenwerking mogelijk gemaakt in nieuwe domeinen, zoals buitenlands beleid, justitie en veiligheid. Met de nieuwe ambities kwam ook een nieuwe naam: de Europese Economische Gemeenschap werd de Europese Unie.

De belangrijkste vernieuwing in Maastricht was de beslissing van de Europese landen om een gemeenschappelijke munt in te voeren, de euro. Er werd een Europese Monetaire Unie opgericht en een Europees Monetair Instituut – de voorloper van de Europese Centrale Bank. Negen jaar later, op 1 januari 2002, kwamen de eerste eurobiljetten uit de muur.
 

Grotere stem voor de burgers

De Unie werd ook democratischer. Het Europees Parlement kreeg in een aantal domeinen een even grote stem als de lidstaten in de totstandkoming van Europese regels. Ook het zogenaamde subsidiariteitsprincipe werd ingevoerd dat bepaalt dat de besluiten van de Unie “zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen” en dat de regeldrift van de Unie moet beperken.

Het Verdrag van Maastricht maakte ons allemaal “Europese burgers” - bovenop onze eigen nationaliteit. Daarmee kregen we het recht om in gelijk welke Europese lidstaat te gaan wonen en werken en daar ook deel te nemen aan de gemeenteraadsverkiezingen.
 

Sterke politieke leiders

Het Verdrag van Maastricht werd op 7 maart 1992 ondertekend door de toen nog twaalf lidstaten van de Europese Gemeenschap en trad op 1 november 1993 in werking nadat alle landen het hadden geratificeerd.

Philippe de Schoutheete was toen Belgisch ambassadeur bij de EU en nam namens ons land aan de onderhandelingen deel. Het Verdrag van Maastricht was volgens hem vooral de verdienste van twee mannen: de gedreven Franse voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, en de Duitse bondskanselier Helmut Kohl. Kohl wilde het versterkte Duitsland inbedden in een sterke Europese Unie.

Ook de Benelux-landen speelden een belangrijke rol in de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht. Het was een memorandum van de Belgische regering van maart 1990 dat mee de aanzet gaf tot de onderhandelingen over een politieke unie. Luxemburg en Nederland leidden de onderhandelingen als opeenvolgende voorzitters van de Raad tot een goed einde.
 

Sterke politieke leiders

“Er was een institutionele visie. Men wist waar men naar toe ging”, zegt Baron de Schoutheete.

Begin de jaren negentig heerste er een euro-enthousiasme: de Europese landen deden het economisch goed. Enkele jaren voordien was de muur van Berlijn gevallen (1989) en een herenigd Duitsland was opgestaan als nieuwe leider van Europa. Spanje en Portugal waren kort daarvoor toegetreden tot de Europese Gemeenschap en waren gedreven om Europese samenwerking te versterken.

“Die gemeenschappelijke visie ontbrak bij latere verdragswijzigingen in Amsterdam, Nice en Lissabon,” aldus de Schoutheete. “Het Verdrag van Maastricht was één van de belangrijkste verdragen in de Europese geschiedenis na het Verdrag van Rome, het stichtingsverdrag,” besluit hij.
 

Twintig jaar later

In latere verdragswijzigingen zijn de bepalingen van het Verdrag van Maastricht verder uitgediept.

Het Europees Parlement heeft er nog meer macht bijgekregen en heeft nu in bijna alle domeinen een even grote rol als de lidstaten.

De euro is uitgebreid tot 18 landen maar heeft een zware crisis doorgemaakt. Nieuwe maatregelen en afspraken zorgen ervoor dat de eurolanden niet alleen hun monetair maar ook hun economisch beleid op elkaar moeten afstemmen.

De Europese samenwerking op vlak van buitenlands beleid, justitie en veiligheid is ook sterker geworden. Sinds het Verdrag van Lissabon is er een Europees “ministerie” van buitenlandse zaken – de Europese Dienst voor Externe Actie, maar toch slaagt de Unie er nog niet in om altijd met één stem te spreken als het over wereldproblemen gaat.

De recente rampen met vluchtelingen in Zuid-Europa tonen ook aan dat er nog geen ééngemaakt beleid is op vlak van migratie en veiligheid.

Het blijft moeilijk om te beslissen wat Brussel moet doen en wat de lidstaten zelf moeten doen. Op twintig jaar tijd is de Unie echter wél een flink stuk opgeschoven in de richting van de politieke unie waarover vele leiders droomden in Maastricht – twintig jaar geleden.

(Elisabeth Lannoo is Europaverslaggever voor het radionieuws.)
 

Meest gelezen