Open maar niet bloot - Kolet Janssen

Waarin de auteur bekent dat ze graag luistervinkt als mensen bellen. Die gesprekken zijn soms nog het meest opwindend, want dan krijgt haar fantasie meteen de vrije hand. Waarom dan zo'n ophef over het afluisteren van onze gsm-gesprekken?

Ik beken: ik ben een afluisteraar. Net zoals heel wat schrijvers spits ik mijn oren telkens als ik mensen hoor praten op straat, in de wachtzaal, in de rij voor de kassa of op de bus. Het is een onuitputtelijke bron van inspiratie voor nieuwe plots en rake personages. Vroeger lukte dat afluisteren alleen bij mensen die met twee of meer samen praatten; nu komen daar nog talloze halve gesprekken bij als individuele mensen met een gsm aan hun oor voorbijlopen. Die laatste gesprekken zijn soms nog het meest opwindend, want dan krijgt mijn fantasie meteen de vrije hand.

De meeste mensen praten in publieke ruimtes zo luid dat ze het niet erg lijken te vinden om afgeluisterd te worden. En onder vrienden en kennissen worden een heleboel dingen die vroeger privé waren, zoals je inkomen of je seksleven, nu openlijk besproken of op Facebook gezet. Ook met lichaamsdelen gaat het die kant op: waar vroeger een navel een redelijk privé lichaamsdeel was, prijkt die nu – al dan niet met piercings versierd – vrolijk en triomfantelijk boven de broeks- of rokrand uit. Foto’s van jezelf in alle mogelijke situaties zijn zonder meer voor een breed publiek beschikbaar. Iedereen mag het zien, iedereen mag het horen. Of toch niet?

Want als blijkt dat onze mails en mobiele gesprekken niet zo geheim zijn als we wel denken, zijn we hoogst verontwaardigd. Dan spreken we van ‘schending van onze privacy’, alsof we anders zo uitdrukkelijk bezig zijn met het afschermen van ons privéleven. Als er camera’s geïnstalleerd worden in onze uitgaansbuurt of als bedrijven via onze gsm’s weten hoe lang we voor welk rek in de supermarkt blijven staan, protesteren we luidkeels. Willen we wel open en bloot zijn, of weten we niet goed wat we willen?

Het lijkt op het verhaal van de twee egeltjes, die elkaars nabijheid opzoeken voor de warmte. Te dicht bij elkaar betekent venijnige prikken van elkaars stekels, te ver van elkaar ijzige kou. Het vergt heel wat schuifelen voordat ze de juiste afstand gevonden hebben die beide voordelen combineert. Zo is het ook met mensen. We leven met velen heel dicht bij elkaar. We zijn bovendien ook afhankelijk van elkaar. We hebben een publieke ruimte nodig om veel dingen met elkaar te delen. Maar daarnaast hebben we ook nood aan een stukje privacy. Alleen is het aartsmoeilijk om die twee verschillende noden op elkaar af te stemmen. Dat vraagt, net als bij egeltjes, heel wat schuifelwerk. Als een slimme vos dan onze zorgvuldig opgezette egelnaalden omzeilt, zijn we (terecht) geschokt en machteloos.

Het blijft dus zoeken naar een nieuw evenwicht. En goed beseffen dat het niet helpt om een hoge heg rondom je tuin te zetten, als je tegelijk blote foto’s op internet plaatst. Alleen wie zich regelmatig gedeisd houdt, ontsnapt aan ons alles registrerende systeem. Maar dat is dan weer totaal niet hip, want je leeft pas echt als je voortdurend je mening spuit over van alles en nog wat. En bovendien is het extra jammer voor afluisterende schrijvers.

(Kolet Janssen is auteur, oud-lerares, (pleeg)moeder en oma.)
 

lees ook