Kennedy: president of popster? - Björn Soenens

Het is vandaag exact 50 jaar geleden dat John F. Kennedy werd doodgeschoten. Amper 2 jaar en 10 maanden eerder hield hij bij z’n aantreden zijn beroemde rede over nieuwe grenzen voor Amerika. The New Frontier. Het was 20 januari 1961, een Siberisch koude wind raasde door Washington, er lagen grote pakken sneeuw. Maar op die dag maakte JFK iets los in de Amerikanen: het gevoel dat er iets nieuws was begonnen, dat een tijdperk was afgesloten. Een goede 1000 dagen later lag de beloftevolle Kennedydroom aan flarden.
analyse
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

De 43-jarige Kennedy markeerde een generatiebreuk na opa-president en ex-generaal Dwight D. Eisenhower. Kennedy’s aanvaardingstoespraak was een retorisch hoogstandje, met onvergetelijke uitspraken als `Ask not what your country can do for you - ask what you can do for your country’. Vraag niet wat je land voor jou kan doen, maar wat jij voor je land kan doen…De wonderlijke zinnetjes uit de speech vielen in vruchtbare aarde. Op Capitol Hill stond de vleesgeworden nieuwe tijd, verpakt in een aantrekkelijke jonge vent met een Boston-accent. De naoorlogse periode was eindelijk voorbij.

Turbulente tijden

Het gevoel was oprecht, maar de werkelijkheid zou tegenvallen. President Kennedy leidde het land een periode binnen waarin het lang sluimerende rassenconflict zijn verwoestend hoogtepunt zou vinden, waarin de VS verstrikt zou raken in een overzees conflict dat niet viel te winnen, en waarin de combinatie van binnenlandse en buitenlandse problemen zouden leiden tot rellen, opstanden, halfbakken revolutionaire en reactionaire bewegingen en moorden op publieke figuren - met de jonge president zelf als meest prominent slachtoffer. Het werd de meest turbulente tijd uit de Amerikaanse geschiedenis. Lees “Amerikaans Riool” van James Ellroy en de schellen vallen je van de ogen.

JFK was de verwende zoon van een Ierse immigrant – een man die rijk was geworden met het illegaal verhandelen van whiskey tijdens de Drooglegging - een man met bedenkelijke leefgewoonten, een man die banden had met de maffia, een man die via zijn zonen per se wilde afrekenen met zijn status als buitenstaander. Niets minder dan het presidentschap voor één van hen was de doelstelling. Het lukte hem nog ook.

Kerkhoven ter stembus

De verkiezingen van 1960, waarin Kennedy Richard Nixon versloeg met het kleinste verschil van de eeuw, blijven omstreden. Dat Illinois met een miniem verschil naar Kennedy ging (hoewel Nixon in 90 procent van de kiesdistricten had gewonnen), was te danken aan burgemeester Richard Daley, een ouderwetse Democratische partijbaas die kon beschikken over de stembussen in Chicago - waar de opkomst enorm was.

De winst in Texas was mee te danken aan Lyndon Johnson, de senator van Texas die Kennedy’s running mate was. Hele kerkhoven trokken bij wijze van spreken ter stembus. Er werd bijna zeker gefraudeerd.

Dat Kennedy zover was gekomen tegen de meest ervaren politicus van zijn tijd (Nixon was acht jaar vice-president geweest) was een klein wonder. De televisiedebatten tussen beide heren hebben in de loop der jaren mythische proporties aangenomen, niet vanwege het debat, maar vooral vanwege de rol van het nieuwe medium televisie. Nixon was ziek geweest, moe, slecht geschminkt en oogde ongemakkelijk. Kennedy was vlot, knap en mediageniek. Televisiekijkers vonden dat Kennedy had gewonnen, radioluisteraars gaven Nixon de overwinning. Kennedy was wie de Amerikanen wilden zijn. Nixon was hoe de Amerikanen écht waren.

Roekeloos gedrag

Kennedy’s ietwat omstreden entree was een teken van de dingen die zouden gaan komen. Kennedy’s ongedisciplineerde, roekeloze gedrag heeft wellicht de opmaat gevormd voor de excessen van een aantal van zijn opvolgers. In de loop der jaren zijn Kennedy’s affaires met een gigantisch aantal vrouwen (in het geval van Marilyn Monroe gedeeld met zijn broer Bobby) uitgebreid gedocumenteerd. De man deed kennelijk waar hij zin in had.

Ernstiger was dat hij mogelijk sterke banden onderhield met een aantal maffioso, of stromannen van de maffia zoals Frank Sinatra. De president sliep jarenlang met een liefje van Sam Giancana, een maffiabaas uit Chicago die net als zijn maten enige terugbetaling verlangde voor deze en andere diensten. Pas toen J. Edgar Hoover, de baas van de FBI, die al een vuistdik dossier bezat over Kennedy’s affaires, de president waarschuwde dat de kans op afpersing wat te groot werd, kwam Kennedy tot zijn zinnen, en maakte een eind aan de maffiabanden.

Glamourboy

Op beleidsmatig terrein ging Kennedy voortvarend te werk. In zijn kabinet haalde hij een hele generatie jonge ambitieuze en hardwerkende academici en zakenlui naar Washington. Robert McNamara, de CEO van Ford, kwam op Defensie, waar hij als een van de whiz kids modern management invoerde. McNamara was ook de vader van de ‘flexible response’- strategie van nucleaire escalatie, die de ‘massive retaliation’ (massale vergelding) van Eisenhower verving. Dean Rusk zat Buitenlandse Zaken en slaagde er in 1963 onder meer in om de belangrijke Test Ban Treaty (verbod op kernproeven) af te sluiten.

Eén van Kennedy’s inschattingsfouten was het benoemen van zijn broer Robert tot minister van Justitie. Mensen op deze post zitten altijd in een tweeslachtige positie: enerzijds zijn ze juridisch adviseur van de president, anderzijds moeten ze de rechtshandhaving garanderen, ook als die in de buurt van hun baas komt. Door Robert daar te zetten, garandeerde Kennedy dat een aantal schandalen zou worden toegedekt. Het leidde tot klachten van nepotisme, hoewel Robert Kennedy formeel de corrupte vakbeweging (Jimmy Hoffa) en de georganiseerde misdaad flink aanviel. Robert was wellicht onkreukbaarder dan zijn broer Jack.

De jonge president haalde intussen ook de bezem door het stoffige Witte Huis en versterkte de glamourfunctie van het presidentschap. De president werd een echte popster, de celebrity-in-chief, daarbij flink geholpen door zijn echtgenote Jacqueline, die al snel de harten van de natie wist te stelen, ook al kon ze het rokkenjagend hart van haar man niet geheel voor zichzelf garanderen. De kinderen Caroline en zeker de kleine John junior deden de natie smelten. Kennedy was razend populair tijdens zijn presidentschap, door zijn charme, zijn stijl en zijn gevoel voor humor. Wie de persconferenties van Kennedy heeft gezien, weet precies hoe zwaar de impact van zijn charisma was.

Bergredes

Beleidsmatig verrichte Kennedy geen wonderen. Hij onderhield moeizame relaties met het Congres en veel van zijn plannen voor wetgeving werden afgeschoten, of alleen dankzij de hulp van Lyndon Johnson door Huis en Senaat gestuurd. De grootste binnenlandse problemen van Amerika, rassenscheiding en armoede, werden door JFK pas laat onderkend. De burgerrechtenbeweging werd in eerste instantie eerder als lastig dan als gerechtvaardigd ervaren. Martin Luther King was in het begin geen grote vriend van de Kennedy’s. Bij zijn dood was Kennedy niet veel verder gekomen dan grote woorden en wat bergredes. De wetgeving die écht wat deed, kon pas onder Lyndon Johnson worden doorgevoerd - mede dankzij de mythe dat Kennedy die wetgeving (armoedebestrijding en burgerrechten) had gewenst en het een eerbetoon aan de gevallen president was om ze te realiseren (wat Johnson onrecht aandoet).

Buitenlands werd Kennedy snel getest en het resultaat viel de wereld nogal tegen. Hij trapte met open ogen in de val die de vorige regering had opgezet in Cuba, mede omdat hij zelf was behept met een rijkeluisafkeer voor het Castroregime daar en leed aan een typisch Amerikaans gevoel van achtertuin-regulering. De val was een door de CIA georganiseerde invasie van het eiland, op 17 april 1961. De volksopstand waar op gerekend was, bleef uit. De Bay of Pigs, het Varkensbaai-incident, liep uit op een totaal fiasco. Castro zit er nu nog altijd.

Finest hours

In de zomer van 1961 leidde de bouw van de Berlijnse Muur tot de Berlijnse crisis. Kennedy maakte duidelijk dat hij bereid was ten oorlog te trekken om West-Berlijn vrij te houden. Maar de muur bleef (tot in 1989), ook al hield Kennedy in 1963 vlak bij de muur zijn beroemde ‘Ich bin ein Berliner’ -speech.

In de herfst van 1962 zou de plaatsing van Russische middenlange-afstandsraketten op Cuba Kennedy’s finest hour inleiden. De Cubacrisis, die volgde op de ontdekking van die raketten, bracht de wereld tot op de rand van een kernoorlog. De wereld hield tien dagen lang de adem in. Maar het toonde ook een Kennedy die vastberaden en bedachtzaam meepokerde en weigerde zich op sleeptouw te laten nemen door schietgrage generaals en knieënknikkende politici. Kennedy loste het conflict met Nikita Kruschev magistraal op.

Op andere terreinen was hij minder zeker van zijn zaak. Zo leek Kennedy in Zuid-Oost-Azië helemaal niet door te hebben waar hij mee bezig was en waar dat toe kon leiden. Onder zijn presidentschap begon de betrokkenheid in Vietnam: het aantal adviseurs steeg van een paar honderd tot ruim 16.000, en in november 1963, vlak voor zijn dood, verleende Kennedy stilzwijgende steun voor de coup waarbij president Diem werd vermoord. Hoewel de vrienden van de president later altijd hebben verkondigd dat hij van plan was die soldaten na de verkiezingen van 1964 terug te zullen trekken, blijft dat onbewezen en lijkt het moeilijk te passen in de dynamiek die Vietnam ondertussen al had gekregen.

Amerikaanse held

Nadat John F. Kennedy tijdens een bezoek aan Dallas, Texas, op vrijdag 22 november 1963 werd vermoord, hebben hagiografen van de Kennedy-clan zijn prestaties en de belofte van zijn presidentschap de hemel ingeschreven. Lange tijd nam de jonge dode president een prominente plaats in in het pantheon van Amerikaanse helden, naast Lincoln, Washington en Roosevelt.

Pas nu, 50 jaar later, is er onder historici – en na 40.000 boeken over hem - redelijke overeenstemming over de matige prestaties van de president. Nee, er was geen baanbrekende wetgeving, geen gevoel voor de rassen- en armoedeproblemen, een paar buitenlandse successen afgewisseld door een paar faliekante mislukkingen.

Het was vooral de belofte die Kennedy inhield, die maakte dat men zijn werkelijke daden overdreef. Uiteindelijk zijn het echter de onthullingen over zijn totale gebrek aan moraliteit, zijn roekeloze seksuele gedrag, zijn dubieuze contacten met maffiafiguren, en zijn leugens over zijn gezondheid (in het Witte Huis zat hij vaak in een rolstoel, met ongelofelijke rugpijnen, hij droeg voortdurend een corset, en leed aan een gevaarlijk nierziekte, de ziekte van Addison), die zijn blijven hangen.

Ook de algehele sfeer van decadentie rondom ‘Camelot‘ (zoals het presidentschap was gedoopt, naar het mythische kasteel van de ridders van de Ronde Tafel), deden het beeld van Kennedy behoorlijk afbladderen.

De moord op Kennedy is nooit écht opgelost en zal nog tot in lengte van jaren leiden tot samenzweringstheorieën. De officiële dader, Lee Harvey Oswald, is een te onwaarschijnlijk figuur, en zijn motieven te onduidelijk, om ooit klaarheid te kunnen krijgen in wat nu precies de reden is voor de aanslag. Cubanen? Russen? Amerikanen? Maffioso? Oliebaronnen? Johnson? Allemaal hadden ze redenen te over om JFK kwijt te willen. Dat in het rijtje de maffia een prominente plaats inneemt zal voor altijd een smet blijven werpen op een man die een grote belofte inhield maar daar uiteindelijk weinig van kon waarmaken.

(De auteur is hoofdredacteur van Het Journaal en Amerikawatcher bij VRT Nieuws.)