De échte loonkloof - Marc Leemans

"Ons hoor je niet klagen," zegt het ACV over het loon- en competitiviteitspact van de regering. Maar er is nog werk aan de winkel: Door de verlaging van loonlasten verliest de sociale zekerheid inkomsten en die moeten gecompenseerd worden. De vakbond legt meteen een plan op tafel. Een plan met cijfers.
opinie
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

Het was wachten op dat verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) om een correcte inschatting te maken van het Pact voor Competitiviteit en Werkgelegenheid dat de federale regering 14 dagen geleden klaarkreeg. Dit Pact wil de netto loonkloof afbouwen tegen 2019. Volgens het technisch verslag heeft België dit jaar in vergelijking met de buurlanden nog een loonkloof van 4,8%. Trek daar de loonsubsidies af, en je komt aan 2.25% in 2013. En dan hebben we niet eens de loonkostsubsidies voor de non-profit en de dienstenchequebedrijven afgetrokken.

Met het Pact voor competitiviteit hoopt de federale regering nu deze loonkloof over zes jaar (2014-2019) verder te verminderen met 2.96 procentpunt. Dat is zelfs meer dan kennelijk moet. En kan ons zelfs voorsprong geven. Al besef ik dat tegen 2019 nog veel kan gebeuren. Ook in de buurlanden. Al gaat het daar inmiddels eerder de goede kant uit: de CRB verwacht daar voor 2014 dat de loonkost per uur nog iets sterker stijgt dan in 2013.

16.4% rondgetoeterd

Naar gewoonte haastten de werkgevers zich daaraan toe te voegen dat je niet naar de evolutie sinds 1996 moet kijken, maar ook moet rekening houden met de toen al bestaande loonkloof. Nu, dat debat zijn we nooit uit de weg gegaan. Ook al behoort het niet tot de wettelijke opdracht van de CRB. En dus heeft de Expertencommissie dat in juli, op vraag van de regering, berekend. Zij het slechts voor 2010 en slechts voor 21 profitsectoren.

De werkgevers haalden daar het cijfer van 16.4% loonkloof uit, dat nu overal wordt rond getoeterd. Al een vooruitgang. Want in dat cijfer zijn ook alle loonsubsidies (minus dienstencheques en non-profit) verwerkt. Hetgeen ze nochtans zo bestrijden wanneer het gaat over de loonkostevolutie sinds 1996.

Maar ze vergeten er wel bij te zeggen dat de Expertencommissie een tabel verder ook gecorrigeerd heeft voor productiviteit. Want niet wat je per uur kost, is relevant, maar wat je voor die prijs doet per uur. En met die correctie zakt die absolute loonkloof, zoals die heet, tot 1.58%, anno 2010. En dat is dan nog het jaar waarin de productiviteit serieus was gezakt door de gezamenlijke ambitie van regering en sociale partners om in het oog van de (financiële) storm de werknemers zoveel mogelijk onder contract te houden i.p.v. af te danken.

De dooddoener van werkgeverskant is dat onze hoge productiviteit precies het gevolg is van de hoge loonkost: daardoor zijn werkgevers wel verplicht de werknemers onmenselijk hard te laten werken en af te danken wie niet meer meekan. Terwijl het net omgekeerd werkt: hoe harder of slimmer wordt gewerkt, hoe hoger de productiviteit, hoe hoger de ruimte voor loonsverhogingen. Overigens, denkt u nu echt dat een werkgever een bepaalde innovatie die hem hogere productiviteit kan bezorgen, gaat opbergen wanneer je de lonen met 16% laat zakken?

Het Pact pakt verf

Maar kom, laat ons even die 1.58% absolute loonkloof vergeten, per slot van rekening een cijfer van 2010. En terugkeren naar de relatieve loonkloof van 2.25%. En naar het regeringsvoornemen daar 2.96 procentpunt af te doen. Met als centrale element een nieuwe operatie verlaging van de lasten op arbeid, voor 1.350 miljoen. Waarvan 1/3 voor de lage lonen, 1/3 voor de industrie, 26.7% voor een lineaire operatie richting profit en 6,7% voor de profit. Met alternatieve inkomsten voor de sociale zekerheid. En dat aangevuld met 150 miljoen meer werkbonus, die de werknemers met een laag tot middellaag loon ten goede komt. En een herstel van de budgetten voor de welvaartsvastheid van de vervangingsinkomens.

Ons hoor je dus niet klagen. Want dit komt neer op een tax shift, zoals wij ze vroegen, met alternatieve inkomsten. In plaats van nog meer botte besparingen bij overheid en sociale zekerheid, zoals de werkgevers ze vroegen. Dit is ook – op 26.7% na – dan een redelijk selectieve operatie, zoals wij ze vroegen en wat de werkgevers systematisch contesteerden met hun vraag voor een lineaire lastenverlaging. Dit is ook een koopkrachtversterking voor de zwaksten, zoals wij ze vroegen. En al even belangrijk: daarbij winnen we een nieuwe veldslag in de oorlog om de index. En vermijden we een forsere ingreep in de vrijheid van onderhandelingen. Mits, en ook alleen maar mits we nu de rekening kunnen doen kloppen door alternatieve inkomsten voor de overheid en de sociale zekerheid.

Lineair missen of selectief mikken?

Dat is misschien nog het beste nieuws voor u. Dat ik niet meer moet spreken van een tax shift. Ik besef dat ik u daartoe de laatste tijd heel wat lezers van deze opinierubriek de oren van de kop heb gezaagd. Maar inmiddels ligt die taks shift dus wel op de tafel. Zodat nu alle energie kan gaan naar twee bijzondere kwesties.

Ten eerste, hoe die lastenverlaging concreet invullen? Dat is nog het minst duidelijk voor de 1/3 voor de industrie. De regering spreekt van steun aan sectoren, maar ze weet verduiveld goed dat Europa dat niet zal toelaten. En dus moet je eerder naar een sectoroverschrijdend criterium zoeken. Dat dan wel garandeert dat zoveel mogelijk compensatie terechtkomt bij de industriële sectoren, blootgesteld aan internationale concurrentie. En dan komen we onvermijdelijk terecht bij een extra-steun voor ploegenarbeid, op voorwaarde dat het transparant wordt gemaakt (dus via RSZ-vermindering i.p.v. obscure fiscale constructies). En dat het beperkt wordt tot sectoren met substantiële ploegenpremies.

Vermogensplaatjes

Ten tweede, hoe de rekening doen kloppen? En niet enkel om de sociale zekerheid te compenseren. Maar ook om de fiscaliteit globaal rechtvaardiger te maken. En dan mag u er zeker van zijn dat we gaan blijven inzetten op inkomens uit vermogen. Meer nog, we gaan dat nog steviger kunnen doen nu de Organisatie voor Ontwikkeling en Samenwerking (OESO), toch niet de eerste de beste, ons overschot van gelijk geeft. Je kunt bezwaarlijk een andere conclusie trekken uit de recentste Taxation Working Paper nr 19 van de OESO. Je hoeft niet het vakjargon, noch het Engels te beheersen. Plaatjes kijken volstaat. Dan stel je vast:

1 Dat België qua belasting op ondernemingswinsten (vennootschapsbelasting en roerende voorheffing op dividend samengenomen) met een gemiddelde belasting van 31% bij de laagste zit van de OESO: 31ste plaats op 36. Want het OESO-gemiddelde is 41.8%. Even nagaan voor de buurlanden waarmee we, maar kennelijk alleen qua loonkost, gelijke tred moeten houden: Frankrijk op de 1ste plaats met 61%; Nederland 55%; Duitsland 49%. À propos: 52% in de Verenigde Staten. Dat vindt u allemaal in figuur 1.

2 Dat België qua vennootschapsbelasting het allerlaagste reële tarief heeft: 8.5%. Dat is amper een kwart van ons officieel tarief (33.99%). Zie tabel 1 van de OESO-studie.

3 Dat we al bij al nog aan de lage kant zitten met onze 25% bevrijdende roerende voorheffing op intresten: onder het OESO-gemiddelde. En in elk geval ook onder de buurlanden: 44% in Frankrijk, 30% in Nederland en 26% in Duitsland; overigens ook ver onder de Verenigde Staten: 42%. U leest dat in figuur 7.

4 Dat we ook geheel achteraan bengelen als het gaat om de wettelijke belastingtarief op aandelenwinsten: amper 8%, tegenover een OESO-gemiddelde van 36.8%. Tegen 60% in Frankrijk, 55% in Nederland, 49% in Duitsland; Verenigde Staten: 52%. Zie figuur 9.

5 Dat we geen belasting hebben op meerwaarden uit onroerend goed, tegenover een OESO-gemiddelde van 14.4%. Frankrijk en Duitsland hebben dat ook niet, maar Nederland wel, aan 30%. Voor de Verenigde Staten had de OESO het wat moeilijker om het na te gaan, maar met wat veronderstellingen komen ze uit op 21.6%. Allemaal in figuur 10.

Minste schade

Vergeet daarbij niet dat een shift naar vermogens minst schadelijk is voor de werkgelegenheid. Ook dat vinden wij niet uit. Dat hebben Planbureau en de Nationale Bank al in 2011 voorgerekend. Ze hebben toen voor een reeks mogelijke scenario’s inzake een tax shift voorgerekend wat het beste werkgelegenheidsresultaat oplevert. En dat waren er toen drie: een verhoging van de roerende voorheffing, een verhoging van de vennootschapsbelasting en algemene sociale bijdrage (met een vrijgesteld bedrag), hetgeen in se ook een verschuiving is naar inkomens uit vermogen. Niet dat zo’n belastingverhogingen op zich banen opleveren. Integendeel, elke belastingverhoging doodt banen. Tenzij eventueel (tijdelijk) een zware GAS-boete op het afdanken van werknemers. Maar dat banenverlies staat dan tegenover de banenwinst die je realiseert door de verlaging van de lasten op arbeid. En dus moet je zien dat je compensaties zoekt in de belastingen die de minste werkgelegenheidsschade berokkenen. Welnu, zelfs als een BTW-verhoging wordt geneutraliseerd in de gezondheidsindex, dan weegt dit nog altijd 48% zwaarder op de werkgelegenheid dan een verhoging van roerende voorheffing. Spijtig dat Planbureau en Nationale ook niet dieper zijn ingegaan op één van hun vaststellingen: “Daarnaast is een opvallende afwezige in België een algemene heffing op meerwaarden”.
U voelt me al komen: op naar een voldragen meerwaardebelasting, op zowel roerend als onroerend goed. Ik ga u daarmee blijven lastig vallen. Vanuit werkgeverskringen was de platte reactie op onze voorstellen tot tax shift steevast: in dit land is, behalve de lucht die we ademen, reeds alles zwaar belast. Welnu, de OESO heeft vastgesteld dat we ook niet enkel een belastingparadijs zijn voor wat we uitademen, maar ook voor meerwaarden.
 

(De auteur is voorzitter van het ACV.)
 

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.