14-18: Over mythes en oorlog - Jan Van Duppen

We naderen 2014 en de ronde getallen-fetisjisten onder ons zien daarin graag een nieuw einde en dus ook een nieuw begin. We zullen na volgend jaar ‘Den Grooten Oorlog’ die een eeuw geleden begon, niet licht vergeten. Maar tot dan krijgen we nog veel treurnis en leugen aangeboden.

Stigmata

Het begon zowat in mei met een gestage boekenstroom, wisselend naar kwaliteit en intensiteit. Begin november verscheen ook het beeld met de affiche van ‘Oorlog&Trauma - soldaten en psychiaters’ in het Gentse Museum Dr.Guislain. In het Flanders Fields Museum van Ieper loopt parallel ‘Soldaten en ambulances’. De affiche toont iconisch het gruwelijke leed. Het lichaam van de gewonde frontsoldaat wordt van zijn uniform ontdaan om de opgelopen wonden te tonen aan de toeschouwer. Zijn begeleiders wachten en beklemtonen de stigmata met tekenen en aanrakingen.

Honderdjarig oorlogsleed moet verleiden tot een bezoek aan beeldverhalen over alle mogelijk traumatisch leed van de geest, ter lering en vermaak.

Leugens

'Den Grooten Oorlog’ zou een einde maken aan alle oorlogen. Dus trokken de propagandamachines zich op gang. Vier en een half jaar lang werd door alle betrokken partijen en landen de hevigste propaganda ooit opgeklopt. Met de door Pruisen verkrachte Belgische Maagd in woord en beeld ronselden Engelse generaals vrijwilligers voor het front. In zowat heel Europa loste de zozeer bezongen internationale solidariteit van proletariërs aller landen op in nationalistische vreemdelingenhaat.

Intellectuele en artistieke elites werden gesommeerd tot vurig woord en beeld. De eerste Engelstalige winnaar van de Nobelprijs literatuur in 1907, Rudyard Kipling, auteur van ‘Het Jungleboek’ en het nog steeds populaire gedicht ‘If’, putte zich graag uit in fanatieke oorlogsretoriek. Zijn eigen zoon en vele andere jongens, ook van bevriende families, motiveerde hij totterdood in de loopgravenoorlog met de Hunnen.

Mede dank zij aanhoudende kunstzinnige propaganda zou de publieke opinie eisen dat Duitsland zwaar werd gestraft. Maar volgens de Engelse oorlogsminister en onderhandelaar Alfred Milner was het Verdrag van Versailles ‘een vrede om een einde te maken aan de vrede’. Milner was nochtans geen doetje want als koloniale ijzervreter had hij als eerste ooit concentratiekampen opgezet in de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog.

Rudyard Kipling heeft nadien wel het fatsoen gehad om in zijn ‘Epitaphs of the War’ terloops te melden: ‘Vraagt iemand waarom we zijn gestorven, zeg dan: omdat onze vaders hebben gelogen.’

Avant-garde

Er werd en wordt wat afgelogen en bedrogen over deze oorlog. Niet alleen in de verslaggeving erover maar ook in de getuigenissen nadien, in Duitsland en elders. De belangen van de orkestmeesters bepalen immers de partituur.
In Bonn loopt ‘1914 Die Avantgarden im Kampf’ over de artistieke elite - niet alleen in Duitsland - voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog. En ook nog nadien, tenminste voor wie het overleefde. De geselecteerde werken beginnen met het genot van ‘gevaarlijk leven’ en zijn fascinerend in de heldhaftige leugen die ze presenteren. Net zo als de begeleidende foto's van geüniformeerde artiesten. Naarmate tijd en krijg vorderen, keert echter de lust tot liegen.
Het snelle succes van een gevaarlijk leven slingert terug naar een grafisch gruwelkabinet. In bepaalde kringen ongetwijfeld ook zeer gegeerd.

In de Kunsthalle Mannheim wordt in de dubbeltentoonstelling Dix/Beckmann de sluier gelicht. Beide kunstenaars hoorden zonder onderlinge contacten bij de belangrijkste commentatoren van leven en dood in Duitsland en daarbuiten. Ze deden dit vanuit een verschillende afkomst, opleiding en achtergrond in de eerste helft van de XXste eeuw.
Voor Max Beckmann die onder de nazi’s in ballingschap vluchtte, was kunst een bevrijdende helper op de weg van de mensheid. Kunst gunt toeschouwers vaak een blik achter het donkere voorhang waar we eens allemaal verenigd zullen worden. Otto Dix trok zich in diezelfde periode terug in zijn ‘innere Emigration’ bij de Bodensee, waar hij landschappen schilderde zonder levende tekenen van menselijke aanwezigheid.
In de fenomenale tentoonstelling te Mannheim onthullen zij de werkelijkheid als circus of theater. Of zoals Joost van den Vondel het drie eeuwen eerder omschreef: ‘De wereld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel’. Het helpt wellicht ook als antwoord op de vraag van de zoon van een oude Duitse studievriend waarom hij generaties later - in het buitenland - nog steeds aangesproken wordt op oorlogen uit de tijd van zijn (over-) grootouders.

Ouders

In Bonn weet de paralleltentoonstelling ‘Verlorene Söhne’ te ontroeren. Vooral de ontstaansgeschiedenis van het treurende ouderpaar van Käthe Kollwitz op het Deutscher Soldatenfriedhof te Vladslo bij Diksmuide is verhelderend. In het vroegste opzet koesteren de treurende ouders het lijk van hun zoon Peter als een piëta. Beiden woonden en werkten sterk sociaal geëngageerd in het Berlijn van de vorige eeuwwisseling - hij als arts, zij als beeldend kunstenaar. Tegen hun beter weten in had Peter zich op zijn achttiende gemeld als vrijwilliger voor het front. Hij sneuvelde op 23 oktober 1914 in het gevecht met het Belgische 11de Linie regiment aan de Ijzer.
Naarmate de tijd verstreek, dreef het beeld van hun gesneuvelde kind steeds verder af tot beide ouders alleen nog de omarming van zichzelf overhielden. Elk probeert zichzelf bij elkaar te houden na hun verlies en de gruwel van een oorlog die zij - hoewel voorzien - niet konden voorkomen, noch vermijden. ‘Die Eltern’ zoals Käthe Kollwitz haar beeldenpaar noemde, was pas in 1932 klaar en overziet de dodenakker van vele duizenden zonen bij Diksmuide.

Nooit overtuigd

In zijn debuutroman ‘Een avond bij Claire’ citeert de Russische auteur in Parijse ballingschap, Gajto Gazdanov, een oom die hem als oud-officier van de tsaar confronteert met zijn keuze als zestienjarige vrijwilliger in het Witte Leger van generaal Wrangel.

‘Je zult de komende tijd veel smerigheid te zien krijgen. Je zult zien hoe mensen gedood worden, opgehangen en doodgeschoten. Dat alles is niet nieuw, niet belangrijk en zelfs niet erg interessant. Maar één ding wil ik je adviseren: word nooit een overtuigd mens, trek geen conclusies, redeneer niet en probeer zo eenvoudig mogelijk te zijn. En vergeet niet dat het grootste geluk op aarde erin bestaat te denken dat je toch iets hebt begrepen van het leven om je heen. Je zult niet werkelijk begrijpen, je zult alleen de indruk hebben dat je begrijpt. Wanneer je er enige tijd later aan terugdenkt, zul je inzien dat je het verkeerd begrepen hebt. En na nog een jaar of twee zul je zien dat je je ook de tweede keer vergist hebt. En zo verder tot in het oneindige. En toch is dat het belangrijkste en het meest interessante van het leven’.

(De auteur is huisarts in Rotterdam en voormalig parlementslid voor de SP.A.)

lees ook

    Meest gelezen