De soundtrack van 2013

"Zijn jullie toe aan de kerstvakantie?" Premier Rutte keek het journaille vragend aan tijdens een onderonsje na de laatste persconferentie van het jaar. Ik vermoed dat niemand meer toe was aan vakantie dan hij, maar onze vermoeide blikken spraken boekdelen. Iedereen wou met vakantie, mezelf incluis.

Het mooie van vakantie is dat je er telkens weer aan begint met een lijst leuke dingen die je wil en moet doen, om aan het eind vast te stellen dat er alweer weinig van terechtgekomen is. Vooruitziend als ik ben, stel ik vakantie-ambities daarom drastisch bij. Tegenwoordig ben ik al blij als ik alles even kan vergeten. Fictie en muziek helpen daar wonderwel bij.

Mijn lichaam en ziel kregen het voorbije jaar veel te weinig muziek, ik kan het tekort haast fysiek voelen. Radio, tv en print overspoelden me met harde woorden. Maar voor masserende muziek was amper tijd, toch niet voor het soort muziek dat je meeneemt naar waar je zelfs jezelf vergeet.

Om het jaar in schoonheid af te sluiten, moest ik daarom op zoek naar die cd’s die het klankdecor voor de kerstvakantie zouden vormen, de stemmen die het voorbije jaar in Nederland voor me samenvatten: Ilse DeLange en Charles Aznavour.

Domweg blij

Ilse DeLange is een van de beste en populairste zangeressen van Nederland, maar vreemd genoeg wordt ze niet helemaal au sérieux genomen. Toch niet door andere Hollandse diva’s als Anouk.

Toegegeven: haar muziek is makkelijk en ze ziet eruit als een melkmeisje, gezond en altijd tevreden. Maar voor mij is ze de Nederlandse Olivia Newton-John. Haar muziek zet m’n verstand op nul en maakt me domweg blij, soms is dat genoeg. Dus gingen we op zoek naar haar greatest hits-album. Dat was trouwens nog een hele heksentoer. In het centrum van Den Haag is geen enkele muziekwinkel meer te vinden, vreselijk voor veertigers als ik die nog hardnekkig naar cd’s blijven luisteren. Ook warenhuizen verkopen alleen nog oude restjes.

Van pure ellende zocht ik Ilse zelfs bij Blokker, al wist ik in m’n hart dat ze dan minder mooi zou zingen. Uiteindelijk vond ik haar in een stoffige uithoek van een winkel waar ik altijd m’n best moet doen om niet gek te worden. Verdiepingen vol vermoeiende computerspullen en winkeljongens in schreeuwerige rode hemden, het is er de hel.

Maar daar zat goudkeeltje zowaar verstopt, tussen de printers en de contactdozen. Morgen kan ik naar huis rijden, hardop meezingend met “The great escape”. En daar kan ik bij het haardvuur mijmeren met “Blue bittersweet” op de achtergrond, een paars-fluwelen nummer dat perfect is voor deze donkere dagen.

Gekoketteer van BN'ers

De tweede cd vond ik in een kleine platenzaak in Delft, een walhalla voor digibete muziekliefhebbers. Charles Aznavour, jawel. Het hele jaar heb ik me geërgerd aan het gekoketteer van bekende Nederlanders met de hoogbejaarde Fransman. Matthijs van Nieuwkerk, Sven Kockelman, Ivo Niehe, Dominique van der Heyde: allemaal lieten ze geen kans onbenut om hun favoriete zanger te pluggen.

Ik vond het allemaal maar aanstellerig, alsof zij hier het patent hebben op de Franse taal en klassieke smaak. Tot ik tijdens een weekend in Vlaanderen plots Aznavour hoorde op de Vlaamse radio. Er was helaas een Bart Van Loo voor nodig die het nummer speciaal aanvroeg, maar “Non je n’ai rien oublié” blies me helemaal weg. Alle muziek die daarvoor en daarna op de radio kwam, verzonk in het niets. Letterlijk en figuurlijk.

Zoals zo vaak had deze verpletterende indruk met een jeugdherinnering te maken. Als klein meisje moest ik met m’n ouders vaak mee naar huwelijksfeesten. Die vond ik toen al een gruwel. Mijn ouders amuseerden zich altijd kostelijk: praten, lachen en muziek waren hun gemeenschappelijke hobby’s. En voor echte middenstanders was het natuurlijk ook volop netwerken, al bestond dat woord toen nog niet. Voor mij waren dat ongelooflijk lange avonden vol verveling.

Al was er meestal één moment dat alles goed leek te maken. Zodra Sinatra of Aznavour gedraaid werden, dansten mijn ouders met mekaar, nooit met iemand anders. Van bij de eerste tonen van het grote mensen-lied vonden ze mekaar zonder woorden. Hun lichamen trokken naar elkaar toe, waar ze zich ook bevonden.

Ik herinner me levendig hoe ik op zo’n avond vanachter een glas limonade naar hen zat te kijken. Zij zagen mij niet, zij zagen niemand. Mijn moeder was op haar mooist en mijn vader leek gelukkig. Maar ook voor mij was het een geluksmoment dat m’n kinderlijfje eigenlijk te boven ging. Ik zag hen zweven op de dansvloer, maar besefte toen al dat ik dit gevoel nooit meer zou kunnen evenaren. Ook later niet, wanneer ik zelf groot genoeg zou zijn om te dansen op Aznavour.