Don't mention the war - Ivan Ollevier

Zijn de Duitsers begonnen? Of waren het de Serviërs? En moeten we hen nog nawijzen voor de Eerste Wereldoorlog? De Britse minister van Onderwijs Michael Gove ergert zich aan Britse historici die vinden dat de Eerste Wereldoorlog niet alleen de schuld was van de Duitsers, maar dat alle Europese grootmachten van die tijd met open ogen in een val getrapt zijn.
analyse
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

De Eerste Wereldoorlog was géén zinloze onderneming, zegt Gove, en wie dat beweert beledigt de honderdduizenden Britse jongens die sneuvelden in de Franse en Vlaamse modder. En niet alleen linkse historici hebben boter op het hoofd, vindt Gove. Hij wijst met een beschuldigende vinger naar een humoristische reeks als Blackadder, waarin de Eerste Wereldoorlog wordt voorgesteld als een gruwelijk-absurde, zelfs lachwekkende misstap van de geschiedenis.

Een gekleurde 21e-eeuwse bril?

Maandag 11 november 2013, enkele minuten voor elf uur. Het is dringen om een plaats te bemachtigen op Trafalgar Square, waar Wapenstilstand wordt herdacht. Wat heeft dit land toch met de Eerste Wereldoorlog, vraag ik me af terwijl het klaroengeschal weerklinkt over het plein. De muzikant blaast zijn laatste noot precies op het moment dat Big Ben zijn eerste van elf slagen laat horen. Daarna volgen twee minuten stilte, en komt het verkeer rond een van de drukste pleinen ter wereld tot stilstand.

Het is bon ton geworden om de Groote Oorlog een zinloze onderneming en een onbegrijpelijk bloedbad te vinden, maar ik vraag me af of de Britten dat in 1914 ook zo zagen. Voor hen ging het in de eerste plaats om het behoud van hun internationale machtspositie, om de voortzetting van het imperium, dat bedreigd werd door de opkomst van het hoog geïndustrialiseerde en militaristische Duitsland (“Allemaal geweerlopen gericht op Engeland,” verzuchtte krantenmagnaat Lord Beaverbrook toen hij enkele jaren vóór het begin van de oorlog Duitsland bezocht, en er een landschap vol fabrieksschoorstenen zag).

Maar is dat reden genoeg om te creperen in de modder van de Vlaamse Westhoek? De jongens die zich in 1914 vol enthousiasme aanmeldden in de rekruteringsbureaus deden dat niet alleen onder zware sociale druk, maar ook uit plichtsbesef, kameraadschap, voor God en vaderland. Bekijken wij, een eeuw later, de oorlog niet te zeer door de bril van de individualistische en nuchtere 21ste-eeuwer die geen boodschap meer heeft aan die waarden? Is het niet paternalistisch om achteruitblikkend te doen alsof we het allemaal veel beter weten, en dat het “met ons niet waar geweest zou zijn”?

Karikaturen

Denken we over de Eerste Wereldoorlog niet te veel in sjablonen? Dat de generaals bijvoorbeeld kilometers achter het front veilig in châteaux verbleven? Om te beginnen waren die châteaux niet zo veilig als beweerd wordt, en bovendien was dat de enige manier om een zo breed mogelijke sector van het front te coördineren.

Dat de bevelhebbers onwetende en lafhartige sukkels waren, is een karikatuur die in het leven is geroepen door de rechtse militair historicus Alan Clark in zijn boek “Lions Led by Donkeys”. Clark was overigens ooit Conservatief politicus en minister onder Margaret Thatcher. Michael Goves oprisping dat vooral linkse historici schuld treft, klopt dus niet.

Een ander land

Na de Wapenstilstand van 11 november 1918 was Groot-Brittannië een ander land. Niet alleen was een hele generatie jongemannen weggeveegd, en had nagenoeg elk gezin wel iemand aan het front verloren, de Britten moesten om te beginnen wennen aan de aanwezigheid van zwart geklede weduwen in het straatbeeld, en van verschrikkelijk verminkte lichamen: jongemannen zonder ledematen of van wie de helft van het hoofd ontbrak en toch hadden weten te overleven, jongemannen zonder gezicht.

In sommige openbare parken werden banken blauw geschilderd om de niets vermoedende wandelaar van ver te waarschuwen dat die er gruwelijke taferelen zou zien. Omwonenden van een hersteloord in Burnham-on-Crouch schreven de ziekenhuisdirectie aan met de vraag de patiënten binnen te houden omdat de aanblik onverdraaglijk was.

Iedereen sneuvelde

Maar vooral had de oorlog de rigide sociale structuur grondig door elkaar geschud. De Duitse artillerie en kogels maakten geen onderscheid tussen upper class en working class. Tienduizenden jongens aan het front kwamen recht uit de schoolbanken van Harwich, Eton of Marlborough, en als lagere officieren waren zij verondersteld hun mannen in het gevecht te leiden, niet te volgen. “Come on,” riepen ze, niet “go on”. Vaak waren zij de eersten die sneuvelden, de Duitsers hadden zelfs geleerd eerst te mikken op de kerels in hun rijlaarzen en lange jassen.

De levensverwachting van een luitenant of kapitein was aanzienlijk lager dan die van een gewone piot. Pas toen zowat alle laatstejaars van de chique public schools aan de Somme en in Vlaanderen waren afgeslacht, drongen ook middenklassejongens door tot het officierenkorps. Tot verbijstering van officieren van de oude stempel waren er nu ook luitenants die “hun eigen wasten” of die geen idee hadden van goede tafelmanieren. Het waren bankbedienden, taxichauffeurs met een Cockney accent, mijnwerkers.

Het einde van een tijdperk

De oorlog was de grootste democratische gelijkmaker die het land in eeuwen had gekend. Dat het conflict de jonge aristocratische erfgenamen had gedecimeerd, maakte dat adellijke families na 1918 het landgoed moesten verkavelen en doorverkopen, vaak aan landbouwers uit de streek. Het betekende het einde van de politieke almacht van de aristocratie.

De latere Conservatieve premier Harold Macmillan was een jonge luitenant die vóór 1914 niemand uit de arbeidersklasse van naam kende. Maar in de loopgraven deelde hij hun afschuwelijke leefomstandigheden, en als brievencensor (dat hoorde bij de functie van pelotonsluitenant) kon hij in hun hoofd en in hun hart kijken. Er groeide zelfs affectie tussen luitenant Macmillan en zijn mannen.

Tijdens de herdenking op Trafalgar Square verschijnen deze 11de november op het metershoge videoscherm de hoofden van een tiental soldaten die dienen in Afghanistan. Een voor een reciteren ze een regel uit het gedicht “In Flanders Fields” van John McCrae, geen antioorlogsgedicht zoals weleens wordt verondersteld, maar een gedicht dat in zijn laatste strofe een opvallend oorlogszuchtige toon aanslaat, een gedicht dat niet alleen de doden betreurt maar ook oproept de strijd voort te zetten, uit piëteit voor de gesneuvelde kameraden.

In de mensenmassa op het plein pinken velen een traan weg. En zo slaagt het militaire apparaat erin om de gesneuvelden uit de Groote Oorlog te recupereren voor de militaire operaties van de 21ste eeuw. Michael Gove kan tevreden zijn.

 

(Ivan Ollevier volgt de Britse politiek voor het televisiejournaal. Hij werkt aan een boek over de geschiedenis van Engeland.)