Munt en tranen - Charlotte van Zanten

Aan het Brusselse Lemonnierplein doe ik mijn boodschappen bij de Marokkaanse supermarkt. Goedkoper, gezelliger en authentieker dan Delhaize, om maar niet te spreken over de zielloze Tl-buisverlichte ketens Lidl of Aldi.

Nee, bij de Marokkaanse supermarkt staan buiten rijen kratten gevuld met bontgekleurde groenten en fruit. En binnenin de supermarkt ruikt het naar specerijen, gemarineerde olijven en een vleugje aftershave.

De winkelklerk groet als ik binnenkom. Hij staat naast het kassablok en voert samen met de kassier en twee klanten lachend een luidruchtig gesprek. Uiterst traag pakt de ene klant zijn spullen in om het gesprek te kunnen rekken. Uiterst traag legt de ander zijn spullen op de kassaband. Zakje citroen volgt op het zakje gember; een bosje munt volgt op een bosje munt volgt op een bosje munt. De klant die al afgerekend had ziet de bosjes munt en realiseert zich dat hij die ook mee wilde nemen. Hij verdwijnt naar buiten, de behulpzame winkelklerk achter hem aan, en komt terug met een hand vol munt. In zijn broekzak zoekt hij naar gepast geld. Hij zegt iets verontschuldigend, giet een grote hoeveelheid muntjes in de hand van de lachende kassier en vertrekt dan toch eindelijk.

Ik slenter langs de rekken van de supermarkt zij aan zij met twee gesluierde vrouwen. Hun handen, polsen en gezichten zijn bedekt met henna. Net als in Marokko, denk ik. De laatste plek waar ik versierde vrouwen zag, jaren geleden. Ik vraag me af wat de gelegenheid was. Een bruiloft van een kind? Een andere soort ceremonie? Ze praten gedempt. Fluisterend bijna, heel anders dan de mannen bij de kassa. Samen vormen ze een eiland dat niemand betreden mag. Stiekem kijk ik naar de kronkelende tekeningen tot onze wegen scheiden.

De boodschappen zijn goedkoop. Mijn Nederlandse bankkaart, een graag geweigerd object in Delhaize, werkt hier zonder probleem en zonder €0,20 cent extra. Ik lach en de kassier wenst me vriendelijk een goede dag toe.

Op weg naar Brussel-Zuid station kom ik de treuzelende supermarktklant opnieuw tegen. Ditmaal praat hij verwoed met de bakker, vier deuren verderop. Ik loop langs een theesalon afgeladen vol met mannen die voetbal kijken en een visboer waar het zwart ziet van mensen. Auto’s toeteren: de kruising nadert. De zon gaat onder en, hoewel het heel de dag regenachtig was, is de hemel staalblauw.

Mijn ogen branden. Daar hoeft u niet van de schrikken, want dat gebeurt vrij snel. Als ik geëmotioneerd raak omdat ik iets echt schitterend vind. En dat is het ineens. Schitterend. Brussel en haar Brusselaren.

En er wordt vast veel gevochten over het immigratiebeleid van Brussel. Maar op dit moment, op die loei drukke kruising van Lemonnier waan ik me even op een plek waar iedereen uitgenodigd wordt zichzelf te zijn.

 (De auteur is een jonge Nederlandse. Zij woont in Brussel en kijkt verwonderd naar ons België.)

lees ook