Hier schaaft men gratis - Chris Serroyen

De federale overheid stelt de werkgevers 1,35 miljard lastenverlagingen in het vooruitzicht. Bovenop andere loonkost verlagende maatregelen, waaronder de verlaging van de BTW op elektriciteit. Samen goed voor 2,96% loonkostcorrectie over de periode 2014-2019. En voldoende om de loonkloof volledig weg te werken, als we ook rekening houden met het geheel van loonsubsidies. De regering had zich die moeite beter bespaard.
labels
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

Patronaal Utopia

Want voor de verenigde werkgevers is het nooit genoeg. Ze blijven moord en brand schreeuwen dat dit een druppel is op een hete plaat. Dat de loonkloof 16,5% bedraagt. En dat de nieuwe federale regering voor de dag moet komen met een zware bijkomende lastenverlaging. Terwijl de federale overheid nog niet eens het geld heeft gevonden voor de financiering van de 1,35 miljard lastenverlaging, noch voor de lagere BTW op elektriciteit. En dat vuile werk netjes doorschuift naar de volgende regering. UNIZO en VBO vragen er 7 miljard euro bij te doen. VOKA doet er met 8,9 miljard een schep bovenop.

En dan zwijgen we nog over de leuke voorstellen voor andere lastenverlagingen. Voor VOKA moet je ook nog 2,4 miljard euro opzijzetten om de belastingvrije som in de personenbelasting op te trekken. En nog een smak geld (maar merkwaardigerwijs niet begroot) om het tarief in de vennootschapsbelasting te verlagen voor bedrijven die niet van de notionele intrestaftrek kunnen of willen genieten. Zelfs De Tijd kreeg het er dit weekend van op de heupen. “Irrealistisch en wereldvreemd”, lieten ze prof. Peersman stellen. “Utopisch”, mocht prof. Maus aanvullen. “Bijzonder ergerlijk”, heette het bij Koen Schoors. Niet in het minst omdat België nog een bijzonder zware saneringsinspanning voor de boeg heeft, gegeven de strenge Europese normen.

Kaalslag

Ach, we weten al langer dat verantwoordelijkheidszin niet is besteed aan de nieuwe generatie patronale leiders. Als het al niet meer is dan een plat tactisch spel om nieuwe lasten te vermijden. Bijzonder ergerlijk is vooral dat dit nog gehoor krijgt ook. Om in het gevlei te komen bij de werkgevers- en middenstandsorganisaties lopen de diverse politieke partijen, ter linker- en ter rechterzijde elkaar voor de voeten met plannen tot vermindering van de werkgeverslasten.

Zelfs de N-VA, die nog in zijn vroeger sociaal-economisch programma aangaf liever de persoonlijke bijdragen van de werknemers te verminderen dan die van de werkgevers, is overstag gegaan. Respect daarom voor vicepremier Pieter De Crem, die als één van de weinige politici de moed had te waarschuwen voor zoveel budgettaire roekeloosheid, respectievelijk de sociale schade die zou worden aangericht als de rekening voor zoveel lastenverlaging zou worden gepresenteerd. Niet het minst omdat de federale overheid de rekening zal moeten betalen.

Enerzijds omdat de federale overheid bevoegd is voor structurele lastenverlagingen. Anderzijds omdat de Gewesten en Gemeenschappen niet staan te springen om bij te passen. En dat je dus onvermijdelijk een kaalslag organiseert in de sociale zekerheid en de federale diensten en overheidsbedrijven ontwricht.

Veel beloven en weinig prijsgeven

Om die kwestie van de dramatische sociale schade, vorige week nog gesteld in een opiniestuk van collega Matthias Somers wordt vandaag netjes heen gefietst. Via vier technieken.

Techniek 1: het uitvergroten van de terugverdieneffecten. Op zich bekeken heeft de 11,3 miljard euro lastenverlaging van VOKA uiteraard batige effecten. Lagere loonkosten leiden normaliter tot meer jobs, in een selectieve benadering meer dan in de patronale lineaire benadering. Alleen sla je daarmee een extra-gat in je begroting dat je, gegeven de begrotingsnormering, ook onmiddellijk moet dicht rijden. En of je dat nu doet via alternatieve belastingen of via besparing op uitgaven, in de beide gevallen zet je een serieuze domper op je groei en werkgelegenheid. Dat niet in rekening brengen is intellectueel oneerlijk. Al drukte Peersman het in De Tijd nog straffer uit: “Als de werkgeversorganisaties op deze manier een bedrijf zouden leiden, kan ik al voorspellen wat zal gebeuren. Zo’n onderneming gaat failliet”.


Techniek 2: het bijzonder vaag houden van het compensatieplaatje. Zeker als het gaat om nieuwe belastingen. Niet enkel omdat dit vandaag taboe is bij de werkgeversorganisaties; zelfs bij die organisaties die in het verleden wel wat brood zagen in een tax shift, maar die nu niet meer willen onderdoen voor het VBO. Maar ook omdat het in volle verkiezingskoorts electoraal taboe is. Omdat politici ook beseffen dat de media van elk concreet ideetje voor belastingverhoging een vette kop maken, zodat een dag lang ongenadig kan ingehakt worden op de onverlaat die dat durfde te opperen. Waardoor de werkgevers er dus in slagen het debat af te leiden naar besparingen op de overheidsuitgaven. Zij het ook in al zijn vaagheid. In plaats van keuzes te presenteren, krijg je een debat over de uitgavennorm, in zijn diverse varianten. Je hebt de zgn. Moesen-norm, genoemd naar prof. Wim Moesen: de totale overheidsuitgaven mogen niet meer stijgen dan de index. Je hebt de verbastering à la N-VA: zelfs geen nominale stijging meer, dus ook geen indexering. En in between heb je de VOKA-norm: nog slechts 1% nominale stijging. We nemen aan dat het in geen van de varianten de bedoeling is opnieuw de kaasschijf boven te halen: evenveel snijden in elk beleidsdomein, zodat je het keuzedebat uit de weg kunt gaan. Maar welke keuzes dat zijn, dat krijg je nauwelijks te horen.
 

Perceptie of performantie

Techniek 3: je krijgt een wazig verhaal over de efficiëntiewinsten die bij de overheid zijn te boeken. Zowel VOKA als VBO hebben er nieuwe rapporten over gelanceerd. Met gebruik van internationaal vergelijkend materiaal, van Europese Centrale Bank tot Wereldbank. En met eigen analyses. Echt overtuigend is dat allemaal niet.

Ten eerste, hoe vaak wordt niet gebruik gemaakt van percepties om de performantie te beoordelen? Een deel van de benchmarking is gebaseerd op de percepties van bedrijfsleiders. Waardoor die voor België sterk is scheefgetrokken door de hoge mate van patronale verzuringsgraad, sinds 2012 tot recordhoogtes opgefokt. Wie enigszins vertrouwd is met onderzoek naar het vertrouwen in de overheidsinstellingen, die weet dat je – zeker voor België – veel betere scores krijgt als je peilt naar het vertrouwen in welomschreven overheidsdiensten, dan wanneer je een vage vraag stelt over het globale vertrouwen in de overheid.

Ten tweede, er wordt op geen enkele wijze rekening gehouden met de wetenschappelijke evidentie dat je bij landenvergelijkingen correcties moet toepassen. In de internationale literatuur wordt ervan uitgegaan dat een klein land met een open economie d’office een sterkere overheid nodig heeft, om zijn burgers te beschermen tegen de volatiliteit van de globalisering. Zoals ook wordt aangenomen dat je moet kijken naar de (afkalvende) gezinsgrootte: hoe kleiner de gezinnen, dus hoe minder informele zorg, hoe meer collectieve diensten nodig. Om nog te zwijgen van onze complexe staatsstructuur, overigens mee in de hand gewerkt door VOKA.

Onder de mat geveegd

Drie, in die internationale benchmarking wordt de efficiëntie van het overheidsoptreden ook beoordeeld op basis van parameters waarop de overheid slechts partieel of soms zeer partieel invloed heeft. Dat zag je al in de initiële analyses van de Europese Centrale Bank. En dat zie je herhaald in de recente waar-voor-je-geld-index van VOKA. Die is opgebouwd op 44 indicatoren, maar waarvan een belangrijk deel niks te maken heeft met de overheidsdiensten op zich, maar met het algemene omgevingsklimaat voor ondernemingen: het aantal zelfmoorden, het aantal dagelijkse rokers, de misdaadgraad, het levenslange leren… Meer nog: een aantal indicatoren hebben te rechtstreeks te maken met het bedrijfsbeleid: de co²-emissies, de uitgaven van ondernemingen voor O & O, het aantal innovatieve producten in omzet, het aantal stakingsdagen ook (als we er van uitgaan dat het helpt als een bedrijf investeert in een goed sociaal klimaat). Als wij zo’n synthetische index zouden construeren, dan zouden we het verwijt krijgen er een utopisch-communistisch ideaalbeeld op na te houden van de maakbare samenleving, met een sterke heilstaat die zich verantwoordelijk voelt met het geluk van de mens, in al zijn vezels. Eén die de bedrijven bovendien vergaand gaat betuttelen opdat ze beginnen bij te dragen tot die “waar-voor-je-geld” index van VOKA.

Vier, het valt in die patronale analyses ook op hoe de betere internationale scores voor België systematisch onder de mat worden geveegd. Zo lijkt het VBO vertrouwd te zijn met het materiaal van de Wereldbank. Ze gebruiken het althans om onze lagere scores inzake “kwaliteit van de regelgeving” en “kwaliteit van de rechtsstaat” breed in de verf te zetten. Maar vergeten zorgvuldig er aan toe te voegen dat België van de Wereldbank een 94 op 100 krijgt inzake overheidsefficiëntie. Dat is nog een verbetering vergeleken bij het begin van de meting, toen België scores haalde van 92 (2007) en 88 (2008). En die score van 94 is intussen ook al twee keer door de Europese commissie gebruikt in zijn rapporten over het Belgische concurrentievermogen: “Volgens de overheidsefficiëntie-indicator van de Wereldbank blijft België het beter doen dan het EU-gemiddelde wat de algemene prestatie van de overheidsdiensten betreft”. U kunt het zelf hier  nagaan, want dat leest u niet in de kranten. Oh ja, nog een mooi rapportje, dat bij mijn weten geen enkele aandacht kreeg: een onderzoek van Kristof De Witte en de bovenvermelde Wim Moesen naar de optimale grootte van de overheid voor 23 landen van de OESO: “Sizing the governement” . Voor België wordt een netto efficiëntie gemeten van 99,4%, tegen 88,9% in heilstaat Duitsland. Niet veel verteringspotentieel dus om 11,3 miljard euro lastenverlaging uit te kunnen puren.

Eerlijk debat

Laat het een uitnodiging zijn voor de echte specialisten inzake performantie en efficiëntie van de overheid om tot ons neer te dalen. Om tot een eerlijk, wetenschappelijk gefundeerd debat te komen over mogelijke efficiëntiewinsten, met de minste economische en sociale schade. In plaats van dit debat te laten kapen door de werkgevers, als glijmiddel voor een lineaire en onbetaalbare e lastenverlaging.


(Chris Serroyen is hoofd van deACV-studiedienst.)
 

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.