Schoolachterstand anders bij allochtone jongens dan bij meisjes

Terwijl allochtone jongens vaker overzitten, vooral in het derde en vierde middelbaar, hebben laaggeschoolde allochtone meisjes dan weer dertig procent meer kans om werkloos te zijn na het schoolverlaten dan autochtone meisjes. Dat zegt professor Stijn Baert (UGent), aan de vooravond van de Internationale Dag tegen Racisme en Discriminatie.

Het feit dat allochtonen minder vaak een diploma secundair of hoger onderwijs behalen, heeft vooral te maken met het onderwijsniveau van hun ouders, eerder dan met hun origine, zo bleek uit eerder onderzoek. "Een heel ander beeld ontstaat wanneer men rekening houdt met de schoolvertraging die autochtonen en allochtonen oplopen", zegt Baert.

In dit geval spelen zuiver etnische verschillen, de verschillen die overblijven na controle voor sociaaleconomische achtergrond dus, wel een belangrijke rol: allochtonen zitten vaker over dan autochtonen, los van hun sociale afkomst.

Dit fenomeen is veel sterker het geval voor allochtone jongens dan voor allochtone meisjes. Allochtone jongens hebben in Vlaanderen, enkel door hun allochtoon zijn, ongeveer 33 procent minder kans dan autochtone jongens om de 3e graad secundair onderwijs af te ronden zonder schoolvertraging.

Allochtone meisjes doen het 21 procent minder goed dan hun autochtone tegenhangers. Daar waar bij allochtone meisjes de achterstand geleidelijk groeit, valt bij allochtone jongens de helft van de achterstand toe te wijzen aan schoolvertraging die wordt opgelopen tijdens het 3e en 4e jaar middelbaar onderwijs.

Op de arbeidsmarkt hebben laagopgeleide allochtone meisjes 30 procent meer kans om niet aan de slag te zijn drie maanden na het schoolverlaten dan autochtone laaggeschoolde meisjes, terwijl bij jongens dat verschil maar 17 procent is. Wordt met succes hoger onderwijs gevolgd, dan is het beeld net omgekeerd.