5 jaar cultuurbeleid: Schauvliege als “valse trage” van de Vlaamse regering?

Toen Joke Schauvliege (CD&V) in 2009 Vlaams minister van Cultuur werd, kreeg ze aanvankelijk flink wat kritiek te verwerken. Dit kwam onder meer als gevolg van een volgens sommigen weinig geslaagd interview in “Terzake”. Daarin gaf Schauvliege grif toe dat het departement Cultuur voor haar een onontgonnen terrein vormde, maar ze beloofde wel haar kennis bij te spijkeren. Tegelijk hamerde ze erop dat ze geen kunsthistoricus hoefde te zijn om een degelijk beleid te voeren. Heeft ze dit laatste ook gedaan?

In de beleidsnota die Schauvliege in 2009 voorstelde, schoof ze enkele strategische doelstellingen naar voren die haar beleid de daaropvolgende 5 jaar zouden vormgeven. “Deze strategische doelstellingen zijn de rode draad doorheen mijn beleid”, schreef ze.

Eén ervan was inzetten op e-cultuur en digitalisering. Het paradepaardje op dat punt verrijst momenteel in Gent met de bouw van het Vlaams Instituut voor de Archivering en de ontsluiting van het Audiovisueel erfgoed (VIAA), beter bekend als de Waalse Krook. Samen met minister van Media Ingrid Lieten, maakte Schauvliege 11,8 miljoen euro vrij voor dit project. Naast de Waalse Krook, trok de minister ook geld uit voor digitaliseringsprojecten binnen de arthousecinema, de erfgoedsector en het bibliotheekwezen.

Naast strategische doelstellingen, vermeldde Schauvliege ook een resem operationele doelstellingen. Eén ervan, het hertekenen van de subsidies in de kunstensector en de erfgoedsector, deed flink wat stof opwaaien. Toch zette de minister door omdat ze een meer evenwichtige verdeling wilde tussen structurele en projectmatige subsidies. “Een euvel van vroegere beslissingen was dat 97% van de subsidies structureel gebetonneerd was en dat slechts 3% voor projecten overbleef”, laat haar kabinet weten. “Onze minister heeft die verhouding veranderd tot respectievelijk 90 en 10% precies om innovatie en experiment meer ruimte te bieden.”

Nieuwe decreten

Het hertekenen van de subsidies, maakte deel uit van het vernieuwde Kunstendecreet dat eind 2013 werd voorgesteld en goedgekeurd. Het vorige Kunstendecreet dateerde al van 2004 en was dringend aan herziening toe. Naast de gewijzigde verhoudingen tussen structurele en projectmatige subsidies, legde het nieuwe decreet de structurele subsidies voortaan voor een periode van 5 jaar vast (even lang als de legislatuur van de Vlaamse regering). Ook de beoordelingscriteria werden gewijzigd. “Het nieuwe Kunstendecreet opent de deur naar een multidisciplinaire aanpak”, maakt het kabinet zich sterk. “Het doorbreekt de schotten tussen de disciplines en past zich aan de karakteristieken van kunstenaars en organisaties aan, op maat van de aanvrager.”

Van het stimuleren van alternatieve vormen van financiering, is niks in huis gekomen. Volgens de minister bleek uit een grondig onderzoek dat dit immers niet noodzakelijk was. Volgens datzelfde onderzoek hadden kunstenaars meer baat bij een focus op bestaande, maar weinig gekende financieringsinstrumenten. Daarom breidde Schauvliege de opdracht van het Kunstenloket uit. Dat verleent advies en organiseert opleidingen over de zakelijke kant van artistieke activiteiten. Daarnaast maakte de minister kunstenaars mogelijk grotere bedragen te lenen bij CultuurInvest. Ook de zogenoemde Winwinleningen die de ParticipatieMaatschappij Vlaanderen (PMV) toekent, werden opengesteld voor het financieren van culturele projecten.

Naast een nieuw Kunstendecreet, werkte Schauvliege ook een nieuw Topstukkendecreet uit. Het eerste dergelijke decreet werd in 2003 uitgevaardigd met de bedoeling de “artdrain” van Vlaamse kunst naar het buitenland te stoppen. Tegelijk nam de Vlaamse regering zich voor belangrijke kunstwerken op te kopen om zo een “Collectie Vlaanderen” te vormen. Het nieuwe Topstukkendecreet betekent in eerste instantie een verruiming van de notie “topstuk”. Voortaan kunnen ook werken uit private collecties als dusdanig worden geregistreerd.

Participatie

Een andere strategische doelstelling die in 2009 werd aangehaald, is het vergroten van de participatie en de diversiteit. In haar beleidsnota stelde Schauvliege immers vast dat “een aantal groepen uit de samenleving beduidend minder aan cultuur deelnemen”. In een poging dit probleem aan te pakken, lanceerde de minister de UiTPAS. Dit is een soort “vrijetijdskaart” die mensen aanzet tot meer vrijetijdsparticipatie en dan vooral mensen die in armoede leven. Na een pilootfase, telt het systeem momenteel zo’n 13.000 pashouders. Tegen eind 2018 wil Schauvliege de UiTPAS in 20 Vlaamse regio’s introduceren en hiermee 3 miljoen Vlamingen bereiken.

Schauvliege zette ook een samenwerking met minister van Onderwijs Pascal Smet op het getouw om kinderen al op jonge leeftijd van allerlei vormen van cultuur te laten proeven. Sinds 1 januari van dit jaar is tevens het nieuwe decreet Lokaal Cultuurbeleid in voege getreden. Dat biedt lokale besturen heel wat autonomie om culturele verenigingen naar eigen goeddunken te beheren.

In haar beleidsnota nam Schauvliege zich voorts nog voor een einde te maken aan de versnippering binnen de culturele sector, meer bepaald binnen de letteren en de audiovisuele kunsten. Ze wilde vooral komaf maken met het gegeven dat spelers binnen de sector al te vaak naast elkaar werken. Wat het letterenbeleid betreft, bracht ze bijvoorbeeld de Stichting Lezen onder bij het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL). De kers op de taart kwam er in maart van dit jaar toen Schauvliege samen met haar Nederlandse collega Jet Bussemaker haar handtekening kon plaatsen onder een contract met Jürgen Boos, directeur van de prestigieuze Frankfurter Buchmesse, om van Vlaanderen en Nederland het gastland van die hoogmis van het boek te maken in 2016.

Op audiovisueel gebied zette ze volop in op het Vlaams Audiovisueel Fonds dat hét loket voor de filmsector moest worden. Internationalisering, nog een punt dat Schauvliege in haar beleidsnota aanhaalde, werd gestimuleerd door de oprichting van Screen Flanders. Dat fonds heeft geld veil voor buitenlandse filmproducties die in ons land komen draaien.

En verder?

Een dossier waarmee Schauvliege de voorbije jaren de handen vol had, was ongetwijfeld de fusie van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen en de Vlaamse Opera. Kathryn Bennetts, de artistiek directeur van het ballet, was in 2010 woedend toen de minister de fusieplannen voorstelde. Ze dreigde met ontslag, zelfs al beloofde Schauvliege dat de beide instellingen ook na de fusie artistiek onafhankelijk zouden blijven. Bennetts bleef echter onverzettelijk en stapte op. Begin 2014 kon Schauvliege na jaren van voorbereiding het Kunsthuis voorstellen, het samengaan van het ballet en de opera. Het is meteen de grootste culturele instelling van Vlaanderen.

Een andere opmerkelijke realisatie van de voorbije legislatuur, is ook het cultureel samenwerkingsakkoord dat Schauvliege eind 2012 afsloot met haar collega van de Franstalige gemeenschap Fadila Laanan (PS). Dat akkoord heeft als bedoeling de samenwerking tussen de verschillende culturele gemeenschappen in België over de taalgrenzen heen te versterken.

Tot slot nog dit: sinds het uitbreken van de financiële en economische crisis steken her en der in Europa berichten de kop op over forse bezuinigingen in het departement Cultuur. Hoewel ook minister Schauvliege in 2009 en 2010 moest besparen, benadrukt haar kabinet dat het budget voor Cultuur de voorbije legislatuur gehandhaafd is. “Meer nog, voor 2014 heeft de minister het budget naar 570 miljoen euro kunnen optrekken”, klinkt het. “Bij de begroting van 2009 was dat nog 489 miljoen euro.”

“Na een valse start mag Joke Schauvliege stilaan de “valse trage” van de Vlaamse regering worden genoemd”, schreef De Morgen in maart vorig jaar over de prestaties van Schauvliege, waarmee de krant onderstreepte dat “haar plaats in de geschiedenis van het Vlaamse cultuurbeleid gerechtvaardigd is”. Toch liet Schauvliege toen zelf verstaan dat ze niet verwacht dat de kiezer haar daarvoor zal belonen. “Ik probeer vanuit de luwte goed onderbouwde beslissingen te nemen”, klonk het.

lees ook