"Wat doen we met een grensgeval?"- Nina Verhaeghe

BLOG - Naar aanleiding van de verkiezingen is VRT-journaliste Nina Verhaeghe tijdelijk correspondente ten zuiden van de taalgrens. Onder de vlag "Flamand de service" beschrijft ze er voor Deredactie.be haar wedervaren. Over kussen of niet, over Waalse scheldwoorden en over de communautaire gevoeligheden.

Ik ben al ruim een week de kluts kwijt. Weet u wat dat is, tegelijk halvelings van job veranderen en aan de andere kant van de taalgrens gaan wonen? Nee natuurlijk niet. Ik kan het zelf niet eens beschrijven. Laat ik toch een poging ondernemen.

Als radiojournaliste werk ik nu tijdelijk ook voor TV. Alsof je altijd met een kleine stadswagen rijdt en dan plots een autobus moet besturen. Ik heb het over de complexiteit der dingen. Maar goed, dat tot daar aan toe. Er is ook nog al de rest.

Zes weken (de duur van mijn verblijf hier in Namen) is te lang om op hotel te gaan en te kort om je echt te settelen. Ik huur dus een gemeubeld appartement in de universiteitsbuurt, niet zover van het station. Maar zoals dat gaat met gemeubelde appartementen ontbreekt er altijd wel iets. Voor een verblijf van zes weken ga je dat nu ook niet allemaal nieuw kopen en dus toog ik enkele dagen geleden naar de kringloopwinkel.

Die ligt aan de achterkant van het station en daar zag ik het andere gezicht van Namen: niet meer de universiteit en de gezellige oude binnenstad maar de straten waar de migranten zich vestigen. Waar mannen op straat zitten met blikjes Cara-pils en vrouwen op zoek gaan naar goedkope spulletjes.

En waar ik dus wat huisraad ben gaan kopen. Ik ben tenslotte ook een migrant. Ik heb alles eerst thuis gedropt voor ik naar mijn volgende afspraak ging: op de universiteit.

Kussen, of toch niet?

Een andere wereld, binnen dezelfde stad. Ik kan snel schakelen. Hoewel. Als ik de telefoon neem om iemand te bellen, moet ik soms even nadenken welke taal ik moet gaan spreken. Als ik naar de krantenwinkel ga, aarzel ik soms tussen Franstalige of Nederlandstalige kranten, naargelang wat er nog ligt. (“Mijn” krantenwinkel heeft ’s morgens vroeg ondermeer De Morgen, De Tijd en Het Laatste Nieuws in de aanbieding.

Als ik hier mensen begroet, zeker als het (vage) bekenden zijn, weet ik nooit goed of ik ze moet kussen of niet. Vaak weten zij zich tegenover mij ook geen raad. Franstaligen kussen elkaar als begroeting. Als ze argeloos zijn, kussen ze iedereen. Als ze Vlaanderen wat kennen, weten ze dat wij dat niet doen en zullen ze een hand geven.

Maar wat doen ze met een grensgeval zoals ik: tijdelijk “van hier”, een Vlaamse, maar één die de Franstalige gewoonten wel kent, dan wordt het moeilijk hé. En voor mij ook. We proberen dan maar van beide kanten om er het beste van te maken. En geregeld verandert een reeds aangevangen kusbeweging in een handdruk of omgekeerd. Ik ben nog niet echt van hier.

Niet zo "tellement bien"

Er zijn nog dingen die vreemd zijn voor mij. Om de band met het verre thuisland niet te verliezen, kijk ik als ik tijd heb toch ook nog even naar Vlaamse tv-zenders. Want de Franstalige zenders hebben echt niet zoveel te bieden zodra het nieuws voorbij is. En dan stel ik vast dat ik mentaal helemaal in Vlaanderen ben want ik kijk elke keer vreemd op als mijn tv-scherm, bijvoorbeeld na het aanraken van bepaalde knoppen, in het Frans met me communiceert. Ik zit namelijk op de Waalse kabel, bij VOO.

De maatschappij van de slogan “Vous êtes tellement bien chez Voo”, hebt u hem? Maar twee keer al was ik niet zo “tellement bien chez Voo” want twee keer al zat ik zonder netwerkverbinding. Hebt u dat al es gedaan, in een andere taal proberen uit te leggen wat je technisch probleem is?

De nervositeit steeg aan beide kanten van de telefoonlijn. Ik hoorde bij hen een zwaar accent uit het Luikse. Zij hoorden bij mij een ander accent en dachten wellicht dat ik nauwelijks Frans versta. Terwijl ik gewoon nauwelijks techniek versta. Het eindigde ermee dat zij me toesnauwden “Calmez-vous Madame!” en dat ik hen bedankte voor de verloren tijd.

U wil niet weten welke scheldwoorden er dan in je opkomen aan het adres van de Franstalige medemens. Wel minder variaties dan als het Vlamingen waren geweest, maar toch.

"Laten we geen olie op het vuur gooien"

Wellicht lag het aan mij, die hoge staat van opwinding. Ik moet er aan wennen dat alles hier wat gemoedelijker gaat. Ik laveer hier geregeld tussen mijn Vlaamse ongeduld (“Waar blijft die koffie?!”) en mijn oprechte sympathie voor mensen die zo behulpzaam zijn tegenover een aangespoelde Vlaming.

Ik vraag me trouwens ook af of het een paar jaar geleden, op het hoogtepunt van de communautaire crisis, niet moeilijker zou zijn geweest om dit contact te hebben. Ik praatte erover met een Vlaamse die hier in Namen werkt en zij zei dat ze toen het gevoel had dat alles ongelooflijk gevoelig lag en dat de spanning toen reëel was, terwijl er nu in beide gemeenschappen een houding lijkt te zijn van voorzichtigheid: “Laten we geen olie op het vuur gieten”.

Zelf ervaar ik het ook zo. Er is een zekere terughoudendheid om over communautaire kwesties te beginnen. Behalve die avond dat ik bij “mijn” kinesist hier in Namen was, een Waal dus. Plots stelde hij de vraag, met de twee voeten vooruit: “Dites-moi, que pensez-vous de la Wallonie et de la politique ici?” “Wat denkt u van de Waalse politiek?”

U moet weten: hij had mijn zere schouder vast. Om niet te zeggen in een houdgreep. Waar is de vrije meningsuiting dan? Ik heb een genuanceerd antwoord gegeven. Bingo.

De man zelf blijkt virulent anti-PS te zijn, terwijl zijn jongere assistent grote PS-sympathieën heeft. Beide leken tevreden met mijn antwoord of leken er toch begrip voor te hebben. Mijn schouder doet nog altijd pijn, maar toch een heel klein beetje minder. Misschien komt het hier allemaal nog wel goed.

lees ook