Hoeveel werkonwilligen zijn er?

“Eén werkloze op twee zoekt niet actief naar werk”, kopten De Standaard, De Tijd en De Morgen drie weken geleden. De kranten hadden de kop overgenomen uit La Libre Belgique. Maar kloppen deze cijfers?

Het is bijzonder moeilijk om te berekenen hoeveel werkonwilligen er precies zijn. Hoe hebben de kranten het precies berekend? Om dit te begrijpen, moeten we eerst de procedure “activering zoekgedrag naar werk” onder de loep nemen. Met deze procedure controleert de RVA wie wel en wie niet actief op zoek is naar werk.

Iedereen die langer dan een jaar werkloos is, wordt door de RVA uitgenodigd voor een gesprek. Tijdens dit gesprek wordt nagegaan welke inspanningen de werkzoekende de afgelopen 12 maanden gedaan heeft om te zoeken naar passend werk.

Indien de begeleider van de RVA - in het jargon “facilitator” genoemd - vindt dat de werkzoekende niet voldoende inspanningen heeft gedaan, kunnen de uitkeringen stopgezet worden. Maar niet meteen. De exacte procedure ziet er uit zoals de tabel hieronder.

Niemand ontsnapt aan controles door RVA

Wat blijkt: pas 23 maanden (indien de werkzoekende jonger is dan 25) of 29 maanden (indien de werkzoekende ouder is dan 25) na de inschrijving als werkzoekende kunnen de uitkeringen stopgezet worden. Geen enkele werkzoekende ontsnapt aan de controles door de RVA.

Kranten De Morgen, De Standaard en De Tijd baseerden zich op het aantal positieve en negatieve evaluaties bij de eerste, tweede en derde gesprekken. Dit zijn de cijfers die de RVA geeft:

De kop “één werkloze op twee zoekt niet actief naar werk” was gebaseerd op de cijfers uit de laatste kolom uit de bovenstaande grafiek. Daaruit zou namelijk blijken dat slechts de helft van het aantal werkzoekenden op een gesprek een positieve evaluatie krijgt. Deze redenering raakt echter kant noch wal.

Op zoek naar het werkelijke aantal werkonwilligen

Het was Wouter Wittevrongel, medewerker van de ABVV-studiedienst, die de kat de bel aanbond. In een publicatie op dewereldmorgen.be duidde hij op de volgende redeneringsfout: het is niet omdat de helft van het aantal uitgenodigden op een eerste, tweede en derde gesprek geen positieve evaluatie krijgt, dat de helft van de volledige populatie werklozen geen inspanningen doet om aan werk te geraken. Dat is echter wel de indruk die de kranten wekken.

Ten eerste: niet elke werkzoekende neemt deel aan de procedure. Personen die deelnemen aan de procedure zijn uitsluitend personen die al langer dan één jaar werkloos zijn. De berekening houdt dus geen rekening met werklozen die binnen het jaar een job gevonden hebben. Deze personen verdwijnen uit de statistieken vanaf wanneer ze werk vinden en zijn dus per definitie niet “werkonwillig”.

Ten tweede: personen die op een tweede of derde gesprek uitgenodigd worden, zijn al één of tweemaal negatief beoordeeld door de RVA. Het zijn dus degenen die al verdacht worden van niet actief te zoeken naar werk. De kans dat dit daadwerkelijk het geval is, en de kans dat deze personen achteraf uitgesloten zullen worden, is een stuk groter dan bij de totale groep werklozen.

Wouter Wittevrongel van de ABVV-studiedienst corrigeerde de berekening. Hij vergeleek het aantal personen dat uitgesloten werd van het recht op uitkeringen na een derde gesprek met het totaal aantal personen dat uitgenodigd werd op een eerste, tweede én derde gesprek. Hiermee komt hij uit op een percentage van 7,69 procent “werkonwilligen”.

Maar ook deze redenering klopt niet - wat ook door Wittevrongel zelf aan ons toegegeven werd. Het aantal personen dat uitgenodigd wordt op een gesprek is namelijk nog steeds niet gelijk aan het totaal aantal werklozen in het land.

De berekening

Hoe komen we dan wél het percentage werkonwilligen op de totale populatie werkzoekenden te weten? Er zijn enkele alternatieven: het is bijvoorbeeld mogelijk om het aantal schorsingen te vergelijken met het totaal aantal inschrijvingen 23 of 29 maanden eerder.

Maar ook deze berekeningswijze klopt echter niet helemaal. Ze houdt bijvoorbeeld geen rekening met personen die “werkonwillig” bevonden worden door de VDAB. Het gaat dan om personen die zich inschrijven voor een opleiding - waardoor ze vrijgesteld zijn van de verplichting om werk te zoeken - maar niet opdagen op de opleiding.
Alvorens deze personen 15 of 21 maanden doorlopen, kunnen ze doorgestuurd worden naar de RVA waar ze vaak geschorst worden.

In nauw overleg met de studiedienst van de RVA hebben we de volgende berekening opgesteld: eerst berekenden we alle gesanctioneerden in 2013 - binnen en buiten de activeringsprocedure. Dan gingen we op zoek naar het totale aantal personen dat “sanctioneerbaar” is. Dat betekent: personen die een uitkering ontvangen en verplicht zijn te zoeken naar werk of een opleiding volgen. Personen in tijdskrediet of brugpensioen zijn bijvoorbeeld vrijgesteld van de plicht om te zoeken naar werk en worden niet in de berekening opgenomen.

Hier zijn de cijfers van de RVA: vorig jaar waren er in Vlaanderen 1578 uitsluitingen binnen de procedure ‘activering van het zoekgedrag’. Daarnaast werden nog eens 1692 personen geschorst die nog geen 15 of 21 maanden werkloosheid doorlopen hadden. In totaal werden er dus 3270 mensen geschorst omwille van “werkonwilligheid”.
Dit cijfer vergelijken we nu met het totaal aantal “sanctioneerbaren” in 2013. Dat getal stond op 323.741 in 2013.

Wat blijkt? Ons baserend op de cijfers van 2013, kunnen we het volgende zeggen: slechts 1,01 procent - en niet de helft - van het totale aantal werklozen zoekt niet actief naar werk. De stelling “één werkloze op twee zoekt niet actief naar werk” raakt dus kant noch wal.