Geen tulpen uit Amsterdam

Ik was onlangs nog eens een paar dagen in Amsterdam, het was weer veel te lang geleden. Ik kom daar namelijk graag. U en ik kunnen daar onze moedertaal spreken, als we een beetje opletten worden we zelfs goed begrepen. Soms klikt het tussen een stad en jezelf. Tussen Amsterdam en mij was dat van in het begin het geval.

Hoppe, Polare en Scheltema

In de jaren zeventig geraakten we in de ban van Amsterdam. Zjef Vanuytsel, een leeftijdgenoot, zong toen ‘… op de snelweg naar het verre noorden, met de regen op mijn ruit, en de radio halfzacht, rij ik op het ritme van gitaarakkoorden’. Ik reed vooral op het ritme van mijn ruitenwissers, ik ben geen muzikant. Aangekomen hield het gelukkig op met regenen, een waterzonnetje waagde zijn kans. Het beste is te beginnen bij het Spui. Eerst een paar kranten kopen in Atheneum Nieuwscentrum; dan een borrel bij Hoppe, waar de vloertegels nog steeds bedekt zijn met zand, de stamgasten nog even brutaal zijn en de barman de retorische vraag stelt ‘Waar zullen we het nu ’s over hebben? Over Wilders misschien?’.

Alles verandert voortdurend, dat weten we sinds Heraclitus, maar hier heb ik even de illusie dat er uitzonderingen zijn op die regel. En als er dan toch iets vreselijks gebeurt, zoals boekhandel Scheltema op het Koningsplein die was omgedoopt in ‘Polare’, dan mag ik nu getuige zijn dat het foeilelijke logo van de gevel wordt gehaald, het vertrouwde ‘Scheltema’ komt terug, tot vreugde van alle boeken minnende Amsterdammers. De reddende engel is Boudewijn Poelmann, de man achter de Postcodeloterij. De kwakkelende boekenketen Polare stond in de vitrine en hij was bereid de winkel in Amsterdam over te nemen. Er hangt een feestelijke stemming, er zijn bloemen en wenskaarten en als toemaat is de hoge boekenzuil bij het binnenkomen opgevuld met uitsluitend exemplaren van het prachtige ‘Made in Europe’ van Pieter Steinz. Mijn dag kan niet meer kapot.

De knepen van het roekeloos fietsen

Nergens ter wereld wordt zoveel gefietst als in Nederland, per jaar leggen alle Nederlanders samen op hun 22 miljoen fietsen 15 miljard kilometer af (met dank aan het Algemeen Dagblad). Amsterdam is wat dat betreft de kers op de taart. Het is telkens opnieuw even wennen want ze komen van overal tegelijk en ze gaan behoorlijk snel. Zoals ze zich slalommend door de auto’s en de voetgangers bewegen, je staat ervan te kijken. Nederlanders zitten rechtop, ze houden niet van die sportieve fietsen waar wij de voorkeur aan geven. Het zijn meestal ook Hollandse koppen op die fietsen, allochtonen zie ik veel minder. Ik weet wel zeker, als ik hier zou wonen verkocht ik meteen mijn auto. Fietsen is snel, goedkoop en gezond. Tenminste als je niet tegen elkaar opbotst, zoals ik een paar keer zag, dan gaat een vuist omhoog of weerklinkt een vloek.

Een Amsterdamse kennis vertelde me dat bij ongevallen vaak toeristen op huurfietsen betrokken zijn want zij beheersen te weinig de knepen van het (roekeloos) fietsen in een drukke stad. De Amsterdammers laten hun rijwielen ook overal rondslingeren. Vorig jaar zijn een recordaantal van 65.000 fietsen ‘weggeknipt’ (de ketting van het fietsslot doorgeknipt): fout geparkeerde fietsen die worden afgevoerd naar het Fietsdepot in het Westelijk Havengebied. Naar verluidt wordt maar 60 procent van die fietsen weer opgehaald. De overige 40 procent wordt na een tijd te koop gesteld?

Visrijke grachten

Amsterdam, laten we eerlijk zijn, dat zijn uiteindelijk toch steeds weer de grachten. Je komt hier niet voor Sloten of de Bijlmermeer, hoewel je daar ongetwijfeld méér leert over de wereld van vandaag en zijn problemen. S. Montag, alias van Henk Hofland, schrijft in zijn wekelijkse column in NRC Handelsblad dat het seizoen van de plezierbootjes weer is aangebroken. Hij ziet zo’n stoet stampend voorbijvaren, ‘op z’n minst tien bootjes, allemaal afgeladen vol, en allemaal met de luidspreker op volle sterkte, met André Hazes en andere begenadigde artiesten’. Maar er is een keerzijde, ook die bootjes worden soms foutgeparkeerd of worden, verwaarloosd en al bijna wrakken, ergens achtergelaten en bijgevolg door de politie weggesleept.

De avond valt, de lantaarns gaan aan. Je loopt langs de Bloemen- en de Leliegracht en je weet, dit hier hoeft voor Venetië niet onder te doen. Als je geluk hebt bots je op mannen die met zaklampen in het water schijnen. De kans is groot dat het onderzoekers zijn die de visstand in kaart willen brengen. Er komt nu veel minder rioolwater in de Amsterdamse grachten en dus komen er steeds meer karpers en brasem en zelfs exotische vissen in voor.

Ivo Victoria

Een poosje geleden waren hier verkiezingen, ik kom de borden met affiches nog tegen. Wandelend langs deze prachtige grachtenpanden heb ik geen moment last van het nochtans historische feit dat voor het eerst sinds 1946 de sociaaldemocraten niet meer de grootste zijn in deze stad.

Weer thuis hoor ik Ivo Victoria, de Vlaamse schrijver die in Amsterdam woont, op Radio 1 zijn afsluiter van Nieuwe feiten voorlezen: ‘Zo fietsend langs de grachten van Amsterdam, in een zomers aandoende ochtendkoelte, de straten schoongeveegd, de mensen in gedachten verzonken, lijkt het alsof ik hier ben geboren en deze stad de moeder is die mij heeft gebaard zoals ik wilde zijn.’

Zo erg had ik het niet te pakken, ik was er ook maar twee dagen, maar als ik hier zou wonen werd ik allicht ook zo lyrisch. Er schiet mij nog een zinnetje te binnen van Kris de Bruyne, die andere zingende generatiegenoot: ‘Zo dichtbij en toch zo ver is Amsterdam.’ Ik moet er misschien maar eens vaker heen.

 

(William Van Laeken is oud-journalist van de VRT.)

 

lees ook