Waar hebben we de notionele-intrestaftrek écht voor nodig?

Bij de invoering van de maatregel verkondigde Didier Reynders dat de notionele-intrestaftrek de belastingdruk zou doen dalen tot 26 à 27 procent. Maar klopt die voorspelling, zeven jaar later?

Voorstanders van de maatregel argumenteren vaak dat de maatregel de vennootschapsbelasting - met 33,99 procent de op één na hoogste van Europa - verlaagt. Een verlichting van de belastingdruk zou noodzakelijk zijn om ondernemingen zuurstof te geven.

Toenmalig vicepremier Didier Reynders (MR) verklaarde ten tijde van de invoering van de maatregel dat de effectieve belastingdruk door de notionele-intrestaftrek zou dalen tot 26 à 27 procent. Als we dit zeven jaar na de invoering natrekken, blijkt zijn voorspelling correct. Cijfers van de Europese Commissie tonen aan dat de effectieve gemiddelde belastingdruk op bedrijven in België in 2012 gelijk was aan 26,3 procent.

Welke redenen zitten erachter?

Sommige experten zijn het echter oneens met deze verklaring voor de invoering. "Een daling van de belastingdruk kan onmogelijk de echte reden achter de invoering geweest zijn", zegt Michel Maus, professor fiscaal recht aan de VUB. "Als men de belastingdruk écht had willen verlichten, was het voldoende geweest het tarief te verlagen voor alle bedrijven. Dat is niet gebeurd."

Wanneer we alle bronnen erop naslaan, blijkt de notionele-intrestaftrek drie grote bestaansredenen te hebben: een officiële, een fiscale en een officieuze reden.

Dit is de officiële reden: de overheid zou via de notionele-intrestaftrek bedrijven ertoe willen aanzetten hun eigen vermogen te doen aangroeien.

"Een onderneming kan twee kanten uit met haar winst", vertelt een fiscaal raadgever van vicepremier Johan Vande Lanotte (SP.A). "Het kan de winst herinvesteren in het eigen bedrijf, óf de winst via dividenden uitkeren aan de aandeelhouders. De notionele-intrestaftrek heeft de volgende logica: hoe groter het eigen vermogen, hoe meer afgetrokken kan worden van de belastingen. Bedrijven krijgen een belastingvoordeel als ze hun eigen vermogen doen aangroeien. Ze worden dus gemotiveerd om in zichzelf te investeren in plaats van uit te keren."

De notionele-intrestaftrek zou dus leiden tot meer investeringen in het eigen bedrijf. "Er zou op die manier meer kapitaal beschikbaar zijn om investeringen in België te doen", vult Michel Maus aan, "en dat zou onze economie doen groeien".

"Dat is de officiële reden. Maar het kan niet juist zijn", zegt Maus. "Er is namelijk geen investeringsvoorwaarde om gebruik te kunnen maken van de notionele-intrestaftrek. Ook bedrijven die niets investeren in de Belgische economie kunnen gebruikmaken van de notionele-intrestaftrek. De maatregel heeft zo geleid tot negatieve perverse effecten: ArcelorMittal heeft bijvoorbeeld jaren lang niets aan belastingen moeten betalen en toch nooit geïnvesteerd in België."

Er was ook een fiscale of boekhoudkundige reden. De notionele-intrestaftrek zou ontwikkeld zijn om fiscale discriminatie tussen bedrijven weg te werken. "Als een bedrijf een lening aangaat bij een bank, zijn de interesten van die lening aftrekbaar van de winst", verklaart Michel Maus. "Bedrijven die hun eigen vermogen gebruiken om te investeren kunnen niets aftrekken. Dat is discriminatie. Door toe te laten fictieve intresten af te trekken van de winst, wordt zogezegd een einde gemaakt aan deze discriminatie."

"Een dergelijke redenering is echter krankzinnig", voegt Maus eraan toe, "want dit is de logica: het hebben van een vermogen levert je een belastingvoordeel op. Bekijk de zaken eens vanuit het standpunt van een particulier: kun je je voorstellen dat het bezitten van een huis een belastingvoordeel oplevert? In België wordt particulier bezit net extra belast."

De officieuze, of reële reden

Dat brengt ons uiteindelijk tot de officieuze of reële reden. De notionele-intrestaftrek heeft een voorloper. Van 1982 tot 2005 gold in België het "speciale taxatieregime voor coördinatiecentra". Gedurende meer dan 20 jaar waren dochterondernemingen van multinationals in België helemaal vrijgesteld van vennootschapsbelasting. "Het was het fiscale paradepaardje van ons land", zegt de fiscale raadgever van de vicepremier.

Enige voorwaarde: de dochterondernemingen moesten erkend zijn als "coördinatiecentra". Om erkend te worden als coördinatiecentrum mochten deze dochterondernemingen een beperkt aantal functies uitvoeren: bijvoorbeeld enkel financiële diensten, boekhouding of onderzoek uitvoeren voor andere dochterondernemingen van de multinational. Deze coördinatiecentra fungeerden vaak als "interne banken" van de multinational. Via deze "interne bank" werden alle andere dochterondernemingen over de hele wereld van geld voorzien.

In 2003 oordeelde de Europese Commissie dat het speciaal regime voor coördinatiecentra neerkwam op verboden staatssteun. Het was discriminerend: slechts een selecte groep van bedrijven kon genieten van een belastingvoordeel. België werd verplicht eenzelfde belasting opleggen aan alle bedrijven. Om de massale vlucht van financiële centra en kapitaal tegen te houden, werd in 2005 de notionele-intrestaftrek in het leven geroepen.

"De notionele-intrestaftrek werd zo ontworpen dat ze kon worden opgelegd aan alle bedrijven van het land én de financiële centra van multinationale groepen hun vrijstelling konden behouden. Twee vliegen in één klap", vertelt de fiscale adviseur op het kabinet van Johan Vande Lanotte.

Michel Maus beaamt: "Door de notionele-intrestaftrek krijgt één bepaald segment van de bedrijven een enorm cadeau: de multinationals. De kmo's - die vaak niet over voldoende grote vermogens beschikken - blijven gebukt gaan onder een zware belastingdruk en kunnen maar beperkt gebruikmaken van de notionele-intrestaftrek."

lees ook