Waar komt de notionele-intrestaftrek vandaan?

Het systeem zoals het vroeger was, was internationaal bekend, maar kon op hevige kritiek rekenen. Het leverde België in 2003 een veroordeling van de Europese Commissie op. Daarna kwam de notionele-intrestaftrek.

De notionele-intrestaftrek vindt haar oorsprong in het “K.B. nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra” van de regering Martens-VI. Dit KB was specifiek ontworpen om de komst van multinationals aan te moedigen. Indien hun dochterondernemingen aan bepaalde voorwaarden voldeden - indien ze enkel financiële diensten, boekhouding, onderzoek of advies verleenden aan andere dochterondernemingen van de groep - werden ze erkend als “coördinatiecentra” en genoten ze een bijzonder belastingregime.

Dit bijzondere regime kwam aanvankelijk neer op een totale vrijstelling van de vennootschapsbelasting. In 1983 werd dit onder druk van Europa licht aangepast - van een belasting op winsten naar een beperkte forfaitaire belasting op de bedrijfskosten, de zogenaamde “cost plus-methode”.

Het Primarolo-rapport

Het fiscale gunstregime voor de coördinatiecentra had het gewenste effect: multinationals verplaatsten massaal hun financiële centra - of interne banken, incluis het volledige bedrijfsvermogen - naar België. Een bedrijf als Hewlett-Packard, met een eigen vermogen van 40 miljard dollar, zakte af naar ons land. Ook BASF, het grootste chemieconcern van de wereld, en oliegigant ExxonMobil verhuisden naar België.

“In totaal meer dan tweehonderd bedrijven”, zegt een fiscaal expert bij één van de grootste accountancykantoren van het land, “het was indrukwekkend. Meer dan de helft van de bedrijven in de Fortune-100 - de lijst van 100 internationale bedrijven met de hoogste jaaromzet - had een financieel centrum in België. Onze coördinatiecentra hadden een ongelofelijke reputatie in de financiële en fiscale wereld.”

Het regime voor de coördinatiecentra had echter tot gevolg dat multinationals belastingen over de hele wereld ontweken. “Moedervennootschappen lieten de winsten arriveren in België, waar ze vrijgesteld waren van belastingen onder het speciaal regime”, zegt een fiscaal adviseur van minister Vande Lanotte, “het geld werd even bijgehouden en dan uitgekeerd aan de moedervennootschap in de vorm van dividenden."

"Als het geld terug thuiskwam - op de rekening van de moedervennootschap in het thuisland - werd het niet belast. Men ging er namelijk van uit dat er al belastingen op betaald waren, in België.”

Het Belgisch regime voor de coördinatiecentra werd steeds bekender. Maar tegelijk lag het ook steeds vaker onder vuur. Een ophefmakend rapport uit 1999, opgesteld door een werkgroep onder de Britse fiscale topfunctionaris Dawn Primarolo, beschreef het Belgische regime als “potentieel schadelijke concurrentie” en “niet verenigbaar met een Europese eengemaakte markt”.

Op 17 februari 2003 oordeelde de Europese Commissie dat het Belgisch regime verboden staatssteun betrof. Waarom? Slechts een selecte groep bedrijven - dochterondernemingen van grote multinationals - kon genieten van een buitengewoon belastingvoordeel, dus staatssteun, terwijl de andere bedrijven verstoken bleven van deze staatssteun. Het was een vorm van discriminatie, aldus de Europese Commissie.

In 2003 werd met onmiddellijke ingang aan België verboden om nog nieuwe coördinatiecentra te erkennen. België vocht de beslissing aan bij het Europese Hof van Justitie. De behandeling van de zaak bij het Europees Hof gaf België en toenmalig Minister van Financiën Didier Reynders tijd om een alternatief voor de coördinatiecentra te bedenken.

Dit alternatief zag het levenslicht in 2005: de “aftrek voor risicokapitaal” of “notionele-intrestaftrek”. Die mocht voor het eerst toegepast worden op de inkomsten van 2006. Met het nieuwe systeem golden dezelfde regels voor alle bedrijven in het land, én konden de interne banken van multinationals hun belastingvrijstelling behouden.

lees ook