De vele taboes over Rwanda - Peter Verlinden

In Kigali mocht de Rwandese president Kagame fors uithalen naar het ‘koloniale’ verleden en de schuld van het Westen voor de genocide van 1994. Zijn buitenlandse gasten bejubelden hem om zijn economisch beleid, dan wel de ‘verzoening’ in de loop van de afgelopen twintig jaar. Anderen zwegen stilletjes, zoals de Belgische ministers, of krabbelden wat tegen, zoals hun Franse collega’s. En op die manier blijft het Rwandese mysterie torenhoog overeind.
labels
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina
© VRT 2008 - Bart Musschoot

Toch blijven een hele reeks fundamentele vragen over, zelfs al blijven die taboe, ook in het journalistieke milieu. Want soms zijn ze te gênant om gesteld te mogen worden of gaan ze lijnrecht in tegen het ‘politiek correct’ denken over de Rwandese tragedie, al was het maar om binnen vijf jaar niet te mogen horen/lezen dat deze vragen nergens ooit gesteld zijn.

De start

In oktober 1990 valt het Rwandees Patriottisch Front vanuit Oeganda Rwanda binnen. In enkele maanden tijd vallen heel veel doden onder de Hutu-bevolking. Tegen januari 1993 zijn zowat 1,5 miljoen burgers, mannen, vrouwen en kinderen, moeten wegvluchten van hun vruchtbare gronden in het noorden naar armoedige kampen vlak bij de hoofdstad Kigali.

Hoeveel doden hebben de rebellen toen gemaakt? Hoeveel doden heeft het regeringsleger toen gemaakt? Wat heeft die oorlog, ontketend door het Patriottisch Front, toen al gekost aan menselijk leed? Hoeveel woede en haat is er toen opgestapeld bij die eenvoudige boerenfamilies die van hun have en goed verdreven werden voor een oorlog waar zij geen enkele schuld aan hadden?

De opbouw

Het regeringsleger van toen bestond uit amper een soort ‘gendarmerie’, precies omdat de bondgenoten Frankrijk en België altijd beloofd hadden om mee in te staan voor de veiligheid van het doodarme Rwanda. Dat kleine Rwanda was trouwens toen al een ‘donor darling’, geliefd bij alle ontwikkelingsorganisaties, onafhankelijke en regeringsgebonden, omdat het ontwikkelingsgeld telkens weer tot goede realisaties leidde. Corruptie en verspilling waren in het Rwanda van toen zo goed als onder controle.

In de loop van die oorlogsjaren 1991 tot 1994 vallen de rebellen van het Patriottisch Front geregeld weer aan en wordt het doodarme land gedwongen om zijn leger te doen aanzwellen tot zeker 35.000 manschappen, met alle gevolgen van dien: gebrek aan training, aan discipline, geld dat naar het leger moet gaan in de plaats van naar onderwijs en gezondheidszorg, …

Waarom stopte toen niemand die agressie van buitenaf en kregen de ‘rebellen’ de impliciete en ook wel expliciete steun van de Amerikaanse en Britse bondgenoten en in hun kielzog een groot deel van de massamedia, de Belgische incluis? Vanwaar het label ‘bevrijdingsbeweging’ dat hen toen toegedicht werd?

De onderhandelingen

Na lange en moeizame onderhandelingen raken de strijdende partijen het eens over een vredesakkoord, dat van Arusha (Tanzania), in augustus 1993. De Rwandese regering van toen doet onder zware internationale druk verregaande toegevingen aan de rebellen. Na hun agressie krijgen de rebellen de toezegging dat zij een zeer belangrijke plaats kunnen innemen in het leger van het land (met onder meer de helft van de leidinggevende functies) en dat zij in een overgangsperiode belangrijke ministerposten zullen krijgen.

De ontploffing

Op 6 april 1994 wordt de internationaal erkende Rwandese president Habyarimana, essentieel deelgenoot van het vredesproces, samen met zijn topmedewerkers uit de lucht geschoten, en met hen ook zijn Burundese collega Ntaryamira. Alle gegevens waarover onderzoekers nu beschikken, wijzen in de richting van de rebellen van toen, de huidige machthebbers, als daders van deze aanslag, die het startsein zou betekenen van het grote geweld, de genocide en de massamoorden.

Waarom is er nooit een onafhankelijk internationaal onderzoek gevoerd naar deze moorden in vredestijd, waarbij twee erkende presidenten omgebracht werden?

Waarom hebben ook de huidige machthebbers in Rwanda nooit dergelijk onafhankelijk onderzoek gevoerd of laten voeren, zeker als zij er toch zo overtuigd van zijn dat die aanslag gepleegd is door hun tegenstanders?

Meer nog: waarom werd elk beginnend onderzoek wetens en willens afgeblokt door de Verenigde Naties en in wiens opdracht gebeurde dat?

De honderd dagen: de moorden

Meteen na de aanslag barst de chaos los en komen volgens de huidige stand van het academisch onderzoek in amper honderd dagen tijd tussen 1 en 1,1 miljoen Rwandezen om. De huidige machthebbers, de vroegere rebellen, gewagen alleen van een ‘genocide op de Tutsi’s’ en verbieden de facto elke verwijzing naar de andere doden.

Maar volgens het bestaande onderzoek zijn ongeveer de helft van de doden in die honderd dagen geen Tutsi’s maar Hutu’s. Degelijk Amerikaans onderzoek, nu al meer dan 12 jaar lang, gewaagt zelfs van mogelijk 700.000 Hutu-doden (tegenover 300.000 Tutsi-doden).

Algemeen wordt aangenomen én getuigd dat de Tutsi’s vermoord zijn door de zogenaamde Interahamwe, de bendes van Hutu-extremisten, al dan niet geholpen door het regeringsleger van toen. (Omdat het om gerichte moorden op leden van één etnie gaat, wordt hier de term ‘genocide’ gebruikt, meer specifiek ‘de genocide op de Tutsi’s’. Mogelijk twee derde van die bevolkingsgroep werd uitgemoord.)

Maar wie heeft dan al die Hutu’s vermoord? En welke plaats hebben die honderdduizenden Hutu-doden vandaag in de herdenkingen van 1994, zowel de gewone burgers als de vooraanstaande politici van destijds?

Wat betekenen de hardnekkige getuigenissen, van zeer degelijke bronnen (twee vroegere eerste ministers, officieren van het Patriottisch Front, vooraanstaande opposanten, Tutsi-burgers, ooggetuigen), dat de Interahamwe-bendes feitelijk geïnfiltreerd waren door ‘techniciens’ van het Patriottisch Front, van de rebellen dus, die de moordenaars opzweepten om zoveel mogelijk te moorden? (Eén degelijke bron heeft het zelfs over ‘zeven op tien’ leden van de Interahamwe die feitelijk infiltranten waren van het Patriottisch Front …).

Hoe zwaar wegen de getuigenissen van vooraanstaande officieren van de VN-vredesmacht dat het Patriottisch Front duizenden gewapende strijders had geïnfiltreerd in de hoofdstad Kigali in de aanloop naar de aanslag op het presidentiële vliegtuig? En wat met de wapenopslagplaatsen van de rebellen in de hoofdstad en in hun eigen gebied, terwijl het regeringsleger van toen onder een strikt wapenembargo stond?

Volgens slachtoffers en ooggetuigen hebben strijders van het Patriottisch Front vanaf de eerste dagen na de aanslag gericht Hutu-burgers opgespeurd en omgebracht. Terwijl op datzelfde ogenblik de Interahamwe-milities gericht Tutsi’s ombrachten.
Wat weten we hiervan? Waarom wordt dit niet verder onderzocht?
En de vraag die onder meer (toen) minister van Buitenlandse Zaken Willy Claes opgeworpen heeft: waarom beletten het Patriottisch Front en zijn bondgenoten dat er een internationale interventiemacht zou komen die het moorden had kunnen stoppen?

De honderd dagen: de vlucht

Tot 2,5 miljoen burgers, grotendeels Hutu want zij maken de ruime meerderheid uit van de Rwandese bevolking, slaan al vanaf half april op de vlucht voor de aanvallen van de rebellen van het Patriottisch Front. Volgens deze ooggetuigen hebben eerst de Interahamwe-milities gericht Tutsi’s vermoord die ze (terecht of onterecht) beschouwden als collaborateurs met de rebellen maar zijn die milities snel gevlucht, als allereerste over de grens naar de buurlanden. Het regeringsleger van toen, dat dikwijls de milities had gesteund of actief had deelgenomen aan de moordpartijen, vlucht al even snel weg. Dan staan de burgers er alleen voor.

Die vluchtelingen getuigen nu meer en meer dat infiltranten van het Patriottisch Front vooral ’s nachts hun vluchtelingenkampen aanvielen en massaal burgers ombrachten. Die getuigenissen stroken met soortgelijke verhalen van westerlingen die als allerlaatsten toen in de regio achtergebleven zijn, zowel in het oosten als het zuidwesten van Rwanda.

Klopt dit? Waarom is dit nooit eerder onderzocht? Over hoeveel doden gaat dit?

Mijn eigen waarneming eerst in juli-augustus 1994, daarna in december 1994, bevestigt dat de (grotendeels) Hutu-vluchtelingen aan de grens met en in Congo/Zaïre niet naar huis terug wilden keren omdat teruggekeerde vluchtelingen ofwel vermoord werden door de nieuwe machthebbers, de vroegere rebellen, ofwel zonder enige vorm van proces in de gevangenis gestopt.

Na de genocide, over de genocide

Om dit relaas te beperken tot ‘de honderd dagen’ (van 6 april tot half juli 1994), alleen nog deze bijkomende mogelijke onderzoeksvragen.

Hoe kunnen we verklaren dat zowat elke vluchteling in ons land, Tutsi zowel als Hutu, telkens weer tientallen familieleden kan opsommen die omgekomen zijn in ‘Rwanda 1994’? Nogmaals: wie heeft dan wie vermoord?

Hoe kunnen we verklaren dat op elk proces over de Rwandese genocide, zowel in een bepaald land zoals in België als voor het internationaal tribunaal, telkens weer valse getuigen opdagen die in het beste geval ontmaskerd worden, soms voor lief genomen? Hoe betrouwbaar zijn dan de gerechtelijke uitspraken in de genocide-processen?

Hoeveel beschuldigden van genocide zitten nu nog opgesloten in Rwandese gevangenissen zonder enige vorm van proces, dikwijls zonder enige aanklacht? Hoeveel gevangen beschuldigden zijn er al aan ontbering gestorven in de afgelopen 20 jaar, zonder dat we weten of ze schuldig of onschuldig waren?

Waarom zetelen sommige machthebbers van voor de genocide nu ‘gewoon’ in de hoogste cenakels van het huidige regime in Rwanda en zijn collega’s van hen ofwel veroordeeld ofwel opgesloten ofwel omgebracht door datzelfde huidige regime?

En de rest

En dan laten we de vervelende vragen over alles wat er gebeurd is ná half juli 1994 voorlopig even rusten. Vragen over de politieke en militaire repressie in het ‘nieuwe Rwanda’, over de massamoorden (‘mogelijk genocide’, zeggen de Verenigde Naties) door het huidige regime op de Rwandese vluchtelingen in Congo/Zaïre in 1996/1997, over de moorden op tegenstanders van het regime in het buitenland (Kampala, Nairobi, Johannesburg, Brussel, …), over de ook economische almacht in het nieuwe Rwanda van een kleine elite rond de huidige president, over de angst om te praten in dit nieuwe land, …

Twintig jaar later heeft de Rwandese tragedie nog lang niet al haar geheimen prijsgegeven. Pas als de waarheid over ‘Rwanda 1994’ gezegd mag en zal worden, bestaat er enige kans op een echte vrede en verzoening en dus een toekomst voor het getormenteerde land. De vrees lijkt gewettigd dat dit niet mogelijk zal zijn onder het huidige eenzijdige regime.

(Peter Verlinden is VRT-journalist en volgt het Rwanda-dossier sinds 1989.)