“Pardon my French”, maar dan in het Frans

Nina Verhaeghe was zes weken lang VRT-correspondent ten zuiden van de taalgrens. Onder het label "Flamand de service" schrijft ze over haar wedervaren. En ze overschouwt de taalkwesties tussen Vlamingen en Franstaligen.

“Bonjour” zeg ik (in Wallonië leer je dat, goeiedag zeggen) en de kelner of winkelbediende of gesprekspartner aan de telefoon begint prompt iets in het Nederlands te zeggen. Of probeert het tenminste.

Aanvankelijk was het voor mij een raadsel. Staat het op mijn gezicht te lezen dat ik Vlaamse ben? Heb ik mijn “r” gerold? Nee toch? Ik probeerde eerst die “r” harder te laten schrapen maar het hielp niets. Ik bleef een “koeiedag” krijgen als antwoord.

Tot ik het door had: het is de intonatie. “Bonjour” moet je zingen, niet zeggen. Als je dat eenmaal perfect kan, kun je een Waal misschien verschalken. Ik heb het nog altijd niet onder de knie maar er wordt aan gewerkt.

De wil om Nederlands te spreken

Het is iets wat me in Wallonië sterk opvalt: de wil om Nederlands te spreken. Het is soms op eieren lopen dan. Want zij willen hoffelijk zijn en dus Nederlands spreken en jij wil hoffelijk zijn en dus Frans spreken. Soms beland je dan in een comedy of errors waarbij je allebei de taal van de ander spreekt en allebei de ene na de andere fout maakt. (Mijn Frans is volgens Walen zeer goed maar volgens mezelf van het niveau comme ci comme ça; ça passe quoi.)

Je wil je best doen voor de ander (je bent tenslotte in Wallonië) maar tegelijk weet je dat het soms verkeerd kan overkomen als je, als Vlaming die in het Nederlands wordt tegemoet getreden, overschakelt op het Frans. Alsof je vindt dat hun Nederlands niet te verstaan is. Alsof jij de taal van de conversatie bepaalt omdat jij de betere tweetalige bent. Of nog: taalimperialisme in omgekeerde zin, als u begrijpt wat ik bedoel.

Je weet ook dat veel Walen precies daarover klagen, dat Vlamingen hen nooit de kans geven hun Nederlands te oefenen want dat die Vlamingen altijd meteen in het Frans beginnen als ze een Franstalig accent horen.

Bovendien, en dat is het meest heikele punt, zijn Walen heel onzeker om Nederlands te spreken. Wat doe je dan? Hen helpen zoeken naar hun woorden in het Nederlands? Of overschakelen op het Frans omdat je hen niet in verlegenheid wil brengen? Je moet dus met al die gevoeligheden rekening houden terwijl je soms gewoon snel iets wil vragen. Niet simpel.

"Ze willen niet overkomen als "die Walen die geen moeite doen""

Het wordt nog moeilijker als je mensen interviewt voor radio of tv. Ik heb het hier herhaaldelijk meegemaakt dat mensen per se Nederlands willen spreken in zo’n interview terwijl je zelf aanvoelt dat ze de taal eigenlijk onvoldoende beheersen voor een vlot gesprek. Vreselijk is dat.

Want enerzijds bewonder je hun inspanningen en begrijp je ook hun motivatie: ze willen op radio of tv niet overkomen als “die Walen die geen enkele moeite doen om tweetalig te zijn”. Maar anderzijds moet je als radio- of tv-maker wel een interview hebben waar je iets mee kunt doen. Waar de nuances in zitten die een gesprek boeiend maken. Of waar de essentie gebald wordt geformuleerd, in weinig seconden.

Je kiest dan voor wat je professioneel moet doen (“sorry, we zullen dit in het Frans moeten doen”) maar je voelt je wel telkens een beetje de beul. En je ziet de teleurstelling op de gezichten. Hoe dichter hun Nederlands bij het kantelpunt ligt waar het wel aanvaardbaar is, hoe groter de teleurstelling. Aan al diegenen die ik zo de voorbije weken de arm heb omgewrongen: pardonnez-moi.

Goed bewust van gebrek aan tweetaligheid

Nederlands leren, het blijft voor veel Walen een moeilijke opdracht. Zeker, er is vooruitgang. In steden als Namen of Luik (waar ze ook veel mensen uit Maastricht over de vloer krijgen) zul je in veel horeca-zaken in het Nederlands bediend worden. Ook in bedrijven word je soms verrast.

En de immersiescholen, waar leerlingen allerlei vakken in het Nederlands als onderwijstaal krijgen, zitten overvol. Maar om eerlijk te zijn: echte tweetaligheid blijft uiteindelijk nog beperkt. (Dat geldt ook voor het bereik van de immersiescholen: in 2012 volgden zowat 28.000 leerlingen dat speciale onderwijs, twee derde kiest voor Nederlands, één derde voor Engels.)

De Walen zelf zijn zich zeer goed bewust van hun gebrek aan tweetaligheid. Eén van de zinnen die ik hier het vaakst heb gehoord, op “Waals grondgebied” dus, is “Pardon my French”. Maar dan in het Frans en dan klinkt dat zo: “Désolé, mon Néerlandais n’est vraiment pas bien.”

"Nederlands? Wil jij dat echt leren?"

Vaak komt dan ook de uitleg (zeker bij mensen van boven de veertig) dat ze vroeger op school abominabel slechte leerkrachten Nederlands hadden. Of dat ze vroeger te horen kregen dat het niet zo belangrijk was om Nederlands te leren, want dat elke Vlaming toch Frans sprak.

De verhouding tot het Nederlands blijft ook nu vaak moeilijk. Van studentes Germaanse talen aan de universiteit van Namen hoorde ik dat ze reacties van onbegrip krijgen als ze vertellen aan andere jongeren dat ze Nederlands leren. Nederlands heeft de reputatie een ontzettend moeilijke taal te zijn. Of een lelijke taal. “Wil jij dat echt leren?” En sommigen kregen ook te horen: “Waarom wil jij Nederlands leren, de Vlamingen willen ons toch niet.”

Het Waalse gevoel afgewezen te zijn door Vlaanderen

Dat laatste is een gevoel dat ik wel vaker verwoord heb gehoord of tussen de regels voelde sluimeren: het Waalse gevoel afgewezen te zijn door Vlaanderen.

De houding tegenover Vlaanderen is zeer complex. Er is het besef de zwakkere te zijn. Vlaanderen doet het economisch zoveel beter. Vlaanderen is wel meertalig (al daalt de kennis van het Frans bij jongeren pijlsnel). Vlaamse steden zijn dynamischer. Het zijn allemaal opmerkingen die ik van Walen zelf hoorde.

Er wordt opgekeken naar Vlaanderen. Op veel punten is er ook onbegrip omdat men de taal niet begrijpt en daardoor het publieke debat in Vlaanderen niet kan volgen.

Maar wat ik nooit heb gevoeld is een neerkijken op Vlaanderen of op het Nederlands, alsof het een taal zou zijn waar je niets mee bent. Wel integendeel. Veel Walen die zelf niet of zeer slecht Nederlands spreken, zeiden me dat ze absoluut willen dat hun kinderen de taal wél leren.

De kennis van het Nederlands mag dan wel beperkt blijven en slechts mondjesmaat toenemen, het besef dat het anders moet is naar mijn aanvoelen vrij groot, zeker bij mensen die intussen zelf werken en kinderen hebben. Langzaam wordt er aan de weg getimmerd. Of zoals een jonge Waal die binnenkort zijn eigen bedrijfje opstart, mij zei in zijn beste Nederlands: “We zetten ons beste beentje voort.” Ik had het niet beter kunnen zeggen.

lees ook