Hoe (a-)sociaal is Europa? Hendrik Vos

Er wordt dikwijls gezegd dat Europa vooral een liberaal project is. De markt moet werken en sociale bekommernissen zouden daarbij van geen tel zijn. Met de eurocrisis kwam er nog een probleem bovenop: om de euro te redden, moest er overal bespaard worden. Hoe zit dat nu met dat sociale Europa?
opinie
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

Banken werden met vele miljarden onderstut, maar sociale uitgaven lagen overal in het vizier. Intussen nam de armoede toe, gingen de werkloosheidscijfers drastisch omhoog en zijn er landen waar de zelfmoordcijfers recordhoogtes bereiken omdat steeds meer mensen hun toestand als uitzichtloos beschouwen. Trieste resultaten.

Ieder land zijn eigen systeem

De grondleggers van de Europese integratie wilden in de eerste plaats één grote markt creëren. Dat project kon op een brede politieke instemming rekenen, ook bij sociaal-democraten. Die ene grote markt zou immers leiden tot meer groei, meer keuze voor consumenten en een sterke economie. Er zou meer welvaart komen in Europa, en daarmee zouden de lidstaten elk hun eigen sociale programma’s kunnen financieren.

Die redenering was lange tijd correct. Europese landen hebben doorheen de jaren elk afzonderlijk hun sociale zekerheidsstelsels ontworpen, met veel variaties van land tot land. Maar globaal genomen is er nergens in de wereld zoveel sociale bescherming als in Europa. Ziekte, ongevallen, werkloosheid, ouderdom, … - in Europese landen zijn er systemen uitgewerkt om hiermee overweg te kunnen. Maar het is geen Europees systeem, dat vanuit de Unie is georganiseerd. De lidstaten hebben dat immers nooit gewild. Ieder vond het eigen systeem best van al en wilde geen bemoeienis vanuit Brussel.

Een gelijk speelveld …

Intussen werd die Europese markt verder uitgebouwd. Stilaan werd duidelijk dat er hier risico’s aan vasthingen op sociaal vlak. Bedrijven zouden zich vestigen in lidstaten met de zwakste sociale regels. Daar kunnen ze immers goedkoper produceren, en omdat de grenzen verdwijnen, kunnen ze toch zaken doen in de hele Unie. Als landen nog bedrijven willen houden, dan zouden ze hun sociale bescherming moeten verlagen. Er dreigde een race to the bottom. Begin jaren negentig werd daar een stokje voor gestoken, of toch gedeeltelijk. Er werd afgesproken dat het speelveld voortaan gelijk zou moeten liggen.

Er kwamen dus gezamenlijke regels over arbeidsomstandigheden. Europa begon beslissingen te nemen over ‘veiligheid en gezondheid op de werkplek’. Intussen zijn er op dit vlak tientallen wetten gekomen, die vaak tot in de kleinste details vastleggen hoe arbeiders beschermd moeten worden. Die wetten worden bij meerderheid gestemd door het Europees Parlement en in de Raad van Ministers, waar de lidstaten vertegenwoordigd zijn. Sociale partners kunnen op verschillende manieren meewerken aan de totstandkoming ervan. Er zijn op deze wijze bindende afspraken gemaakt over het recht op betaalde vakantie, het verbod op discriminatie, bescherming bij zwangerschap, ouderschapsverlof, de rechten van deeltijdse werknemers en uitzendkrachten, enzovoort.

Wie het lijstje bekijkt, ziet een indrukwekkende verzameling sociale regels die gelden van Bulgarije tot Zweden, van Portugal tot Litouwen.

… maar niet helemaal

Maar het speelveld ligt niet volledig gelijk. Kijk maar naar de lonen. De lidstaten hebben nooit toegestaan dat er ook Europese afspraken zouden komen over een minimumloon. Of over bedrijfsbelastingen. Als bedrijven verhuizen naar Oost-Europa is dat niet in de eerste plaats omdat de arbeidsomstandigheden daar slechter zijn – ze moeten zich op dat vlak immers houden aan dezelfde minimumnormen als bij ons. Maar ze verhuizen omdat de lonen er lager zijn, omdat er soms zelfs geen minimumloon is, en omdat er veel minder belastingen moeten worden betaald.

In principe kunnen er wel Europese regels komen, bijvoorbeeld over een minimale bedrijfsbelasting. Maar de lidstaten hebben de besluitvorming hierover met opzet erg complex gemaakt: er kan alleen een afspraak worden gemaakt als alle lidstaten het ermee eens zijn. Die unanimiteitsregel werkt natuurlijk helemaal verlammend.

En wat met werk? Armoede?

Doorheen de jaren hebben de lidstaten beslist waarmee Europa zich mocht bezighouden. Dat is intussen erg veel. Maar er zijn nog een paar domeinen waarover ze twijfelen. En vaak gaat het dan om sociale aspecten. Werkgelegenheid bijvoorbeeld, of armoedebestrijding. Er is afgesproken dat Europa op deze vlakken wel doelstellingen mag formuleren, en dat lidstaten vervolgens hun best moeten doen om die te realiseren. Maar als de landen de vooropgestelde doelen niet halen, worden ze niet gestraft. Europa kan dus geen harde wetten maken op deze vlakken.

Op papier zien de Europese doelstellingen er dikwijls ambitieus uit. Europa zegt dat het aantal mensen in armoede tegen 2020 met 20 miljoen moet dalen. 75% van de bevolking moet werk hebben. Er mogen nog hooguit 10% voortijdige schoolverlaters zijn. Maar vele lidstaten zijn helemaal niet op weg om deze doelstellingen te halen.

Ieder jaar worden er scoreborden bekend gemaakt en kunnen de prestaties van de landen vergeleken worden. Er wordt gehoopt dat de laatkomers zich beschaamd voelen, en dan beter hun best zullen doen om op te klimmen in het scorebord. Een strategie van pek en veren. Maar de laatste scoreborden zien er treurig uit, voor de meeste lidstaten. En als iedereen met pek en veren paradeert, mist die aanpak toch wel effect.

Dan kwam de crisis

Door de crisis zijn de nationale sociale systemen onder grote druk gekomen. Europa eiste besparingen in alle landen en in de meeste landen werd het mes dan ook in de sociale uitgaven gezet. Intussen namen de werkloosheid en de sociale ellende toe. Op hetzelfde moment werd wel beslist om miljarden uit te trekken om de banken overeind te houden. Het moet geen verbazing wekken dat Europa er dan een hardvochtig imago aan overhoudt.

Voorstanders van de gevolgde crisisaanpak argumenteren dat het belangrijk was om de munt en de economie te redden, zelfs al waren daar pijnlijke ingrepen voor nodig. Maar bij de ineenstorting van het monetaire en economische systeem zou de hele Unie in een diepe depressie gezonken zijn, met nog grotere sociale catastrofes dan vandaag.

Tegenstanders van de crisisaanpak vinden dan weer dat de nadruk te sterk gelegd werd op de begrotingsdiscipline en dat landen zich kapot bespaarden. Zij vinden dat de sociale problemen onderschat werden en minstens gelijktijdig moesten worden aangepakt.

Kiezen

De Europese verkiezingen gaan voor een belangrijk stuk over deze tegengestelde visies op de crisisaanpak. Toch is het voor het Europees Parlement onmogelijk om radicaal een sociaal Europa uit te bouwen, met alles erop en eraan.

Het gaat immers om een van de weinige domeinen waarvan de lidstaten de sleutels nog niet uit handen gaven. Maar het Europees Parlement kan het debat wel in een bepaalde richting stuwen. Dat parlement helde de voorbije vijf jaar economisch eerder over naar rechts. Daarom moet het geen verbazing wekken dat het wetten goedkeurde om de begrotingsdiscipline te verankeren, zonder dat daar sociale engagementen aan gekoppeld werden. Met andere dominante partijen, zou de aanpak van de crisis er misschien anders hebben uitgezien.

Een Europa dat overhelt naar links, of naar rechts, of ergens een centrum probeert te zoeken. Dat wordt wellicht de belangrijkste inzet van de Europese verkiezingen.
 

(De auteur doceert Europese politiek in Gent.)

 

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.