Een pastoor die het verschil maakt - Celia Ledoux

In Brussel, stad van extremen, zijn alle clichés gegrond. Miljoenenstad, als je de ongelukkigen meetelt. Dat doet niet iedereen. Maar hij wel.

Om de hoek van het Sint-Kathelijneplein staat de Begijnhofkerk in de bedrieglijk snoezige Begijnhofbuurt. Schoon gebouwtje, waar Daniël Alliët pastoor is. Hij moet nu van Monseigneur Léonard naar het verre Molenbeek. Maakt dat uit? Ja. Want deze man verandert Brussel.

De waarden van the Sound of Music

Het is niet dat ik uit zware gelovigheid over hem schrijf.

Ik ben zes en op bijbelkamp. Dat kan met religieuze opvoeding te maken hebben, maar mijn moeder kennende ook met minder-dan-ideale vakantieplanning. In elk geval heeft men het grof geschut bovengehaald: voor een heel stel christentjes-in-wording zit een bisschop in vol ornaat. Tijdens het vragenrondje vraag ik wat het hoogste is wat een vrouw kan bereiken in de kerk. Na wat gemier over ideale, zachte moederfiguren en vrouwen krijg ik hem diets dat het me keihard om de carrière gaat. De bisschop wijst met égards naar de abdis naast hem. “Abdis?!” zeg ik zeer teleurgesteld, en mijn Sound of Music-roeping vervliegt, wellicht zichtbaar. De volgende dag mag mijn moeder mij komen halen. Ik ben niet te redden.

Gelukkig slijt die hanige ambitie van mij er met de jaren uit (alhoewel ik dit met ongewassen haar, een stem die het begeeft, iets dat voor avondeten moet doorgaan en een voedende baby in een draagdoek wippend op een zitbal typ terwijl alles in huis inclusief ikzelf ziek is, dus een dosis belachelijk plichtsbesef zit er nog in).
Maar dat reukje bespeur ik nog jaren.

Het reukje is standaard in kerkwandelgangen, in trouwerijen met saaie toespraken, in begrafenissen met clichés aaneengepraat en missprekingen van naam, in dopen die ondanks de vreugde van zo'n geboorte deprimerende bedoeningen worden.
Geen pastoor die nog lijkt te geloven wat hij zegt.
Waarom zou een ander dat dan doen?

Als je dan het nieuwe testament leest (ik heb als veellezer soms dringende penurie en het is dan kiezen tussen Solsjenitsyn, een kookboek of het heilig boek), besef je dat dat een revolutionair manifest is, dat goed zou passen in deze tijden en naar Occupy en 1% zweemt (het oude testament is dan weer een Mel Gibson-blockbuster, maar kom: dat is ook geen geloofsbasis).
Het nieuwe testament, dat zit vol waarden die de voordenkers van onze tijd belijden.
Ik ken geen geestelijke die dat vuur uitdraagt.
Waarom zou je hen volgen in de lauwheid?

Maar hij is niet lauw. Daniël Alliët.

Een mensch van daden

Hij zou gruwelen als hij wist dat ik over hem schrijf. Hij praat nooit over zichzelf, altijd over issues. En hij kan praten en pleiten en analyseren. Was hij politicus, ik stemde voor hem. Maar Alliët is pastoor, en minder dat dan mens. Mensch, zeggen Joden. Een man die zijn geloof belijdt – wellicht al biddend, maar vooral in daden en leiden. “Ik ben missionaris in Brussel”, zegt hij ginnegappend. En inderdaad lijkt de driehoek waarin hij werkt soms ontwikkelingsgebied. Want hij ziet al die onzichtbare mensen die het moeilijk hebben wél.

Naar zijn mis ben ik een aantal keer gegaan. Ik. Tja: u weet natuurlijk niet wat dat wil zeggen.
U kan wèl inschatten wat je kerk weer eens openstellen voor asielzoekers die anders op straat belanden betekent. De omhaling is elke week voor een goed doel dat hij persoonlijk kent en volgt. Soms zelfs een pluralistische moskee. Waarom zou je strafbaar stellen wat je kan voorkomen, redeneert hij.
Toen we trouwden, was dat in de sacristie. Ha ja: de kerk lag vol gezinnen. Kindjes en moeders en vaders en baby's en mensen die het helemaal alleen moeten redden, die daar wel mochten zijn en leven, en nergens anders in deze miljoenenstad. Alliët klaagde alleen dat zo'n huurtoilet 1000 euro huur kostte.

De preek die hij gaf ging een beetje over ons en vooral over de bankencrisis. Dat was een onverwacht prettige verrassing. Hij vroeg ook terloops of iemand een asielzoeker in huis wilde halen, want ze konden nog steeds nergens heen en moesten die week weg. Ik schaam me nog altijd. Alsof hier niemand in huis bij kan.

Een open huis

Zijn huisje in Molenbeek is verdeeld onder mensen die het moeilijk hebben. Gewoon: die een zetje in de rug believen, een bed nodig hebben voor even, het op hun eentje niet rooien omdat ze kortsluiting in hun hersenen hebben als ze een factuur moeten lezen of geen thuis hadden om in te leren leven en voor zichzelf te zorgen. Er staan makkelijk een dozijn namen op de bel van het bescheiden rijhuisje.

Eén piepkleine kamer bezet hij, volgestouwd met boeken. Een uitspraak van de Braziliaanse priester Don Helder Camara hangt er aan de muur “Toen ik eten gaf aan de armen noemden ze mij een heilige. Toen ik vroeg waarom de armen niets te eten hadden, noemden ze mij een communist, en was ik niet meer welkom.”
“Moet ge nen boterham hebben?”, vroeg hij de laatste keer dat ik er was.

Dat is hoe Daniël Alliët leeft.
Het maakt hem in Brussel een man die een kerk heeft die volk trekt van directeurs tot kansarmen, in alle kleuren, alle talen. Die geliefd is, niet omdat hij glimlacht, maar omdat hij ageert. Die daarin ook nog gevoel voor humor heeft, al heeft hij zelden tijd om die te laten horen. Je zag hem soms passeren met de fiets vol spullen, voor een moeder met een pasgeboren kind. Altijd bezig. En het werkt. Hij laat mensen niet uit repressie, maar uit motivatie Nederlands leren. Uit liefde ook, wellicht, en dankbaarheid. Hij heft ze vaak uit de armoede.

Nu moet hij weg. Aartsbisschop Léonard wil een “populaire” pastoor uit Marseille aanstellen, die “volle kerken trekt”.
Of die eerder geen asielzoekers van de vrieskou redt? Die wellicht geen sukkelaars tijdens de mis aan het woord laat, en die mensen week na week laat groeien, tot ze zijn wat onder het stof van verdriet bedolven lag: iemand die verschil kan maken? Wellicht niemand die de stad herinnert aan wat ze kan zijn, en nog niet is.

Daniël moet naar Molenbeek. In Molenbeek hoort men u niet, ziet men u niet. Daar besta je niet meer. En in Brussel-Stad: daar heeft men Daniël nodig. Deze stad, vol extremen, ziet er dankzij deze man leefbaarder uit. Hij is een stuk van het kloppend stadshart. Daar in het centrum, waar de extremen het hardst leven.

Daniël heeft, simpelweg al doende, de harten geraakt van velen. Op 9 mei vieren ze een “Manifête”, en ze schrijven massaal brieven naar monseigneur Léonard. Ik heb zelf ook  naar de aartsbisschop geschreven. Antwoord kreeg ik nog niet.
Dat was vast teveel verwacht.
Tja. Daniël: hij zal mijn beeld van pastoors dan toch hebben bijgekleurd.

Vreemd toch, dat de kerk zo graag naar een bestoft, kil, onmenselijk imago terug wil. Terwijl een pastoor ook iemand kan zijn die mensenlevens redt. Die een stad verandert. Zoals Daniël.

 

(Celia Ledoux is schrijfster en columniste.)

 

lees ook