Hoe wordt de loonkloof berekend?

Over de loonkloof tussen ons land en onze buurlanden lezen we vaak verschillende cijfers. Hoe komt dat? Wat wordt nu juist bedoeld met de term "loonkloof"?

Het exacte cijfer van de loonkloof zorgde in 2013 voor wrevel tussen werkgevers en vakbonden. Volgens de berekening van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CBR) bedroeg de loonkloof vorig jaar 4,8 procent. Het VBO beweerde dat het verschil in loonkost - of loonhandicap - tussen België en de buurlanden 16,5 procent zou bedragen. Socialistische vakbond ABVV floot het VBO meteen terug. Volgens Anne Demelenne, algemeen secretaris van de socialistische vakbond, zou de loonkloof maar 0,5 procent bedragen.

Welke cijfers zijn correct? Wie bovenstaande paragraaf herleest, merkt dat de termen “loonkloof” en “loonkost” door elkaar gebruikt worden. Nogmaals: met “loonkloof” wordt het verschil in loonkost tussen België en de buurlanden bedoeld.

Hoe wordt de “loonkloof” precies berekend? Elke twee jaar wordt de stijging van de gemiddelde loonkost vergeleken met de loonkost in 1996. Dat wordt ook gedaan voor het gemiddelde van de loonkosten in de buurlanden Nederland, Frankrijk en Duitsland. Daarna wordt in percenten uitgedrukt hoeveel de stijging van de Belgische loonkost verschilt van die van de buurlanden.

Een loonkloof met de buurlanden van 4,8 procent betekent dus: de Belgische gemiddelde loonkost steeg sinds 1996 4,8 procent meer dan het gemiddelde van de loonkosten in Nederland, Frankrijk en Duitsland.

De loonnormwet van 1996

De loonkloof is het verschil van de stijging van de loonkost tussen ons land en de buurlanden sinds 1996. Waarom 1996? Op 26 juli 1996 trad de “Wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen” of kortweg de “loonnormwet” in voege. De federale regering besloot toen dat de Belgische lonen niet sneller mochten stijgen dan de lonen in de drie buurlanden. Dit om de concurrentiekracht van Belgische bedrijven te beschermen.

Elke twee jaar publiceert de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) een berekening van de loonkloof. De CRB maakt in haar rapport bovendien een schatting van de verwachte stijging van de lonen in de buurlanden.

Op basis van deze gegevens wordt een marge voor loonstijgingen vastgesteld en onderhandelen sociale partners - werkgeversorganisaties, vakbonden en de boerenbond - tijdens het interprofessioneel overleg hoeveel de Belgische lonen de komende 2 jaar mogen stijgen. In een tweede stap onderhandelen vakbonden en werkgevers per sector over eventuele loonstijgingen.

Belangrijk detail: in 2013 besloot de regering-Di Rupo een loonstop in te voeren. Dit jaar mag dus geen extra loonstijging onderhandeld worden tussen werkgevers en vakbonden per sector bovenop de inflatie en de baremaverhogingen.

CRB komt uit op 4,8 procent

Ondanks de loonnormwet van 1996 zijn onze lonen in 2013 toch 4,8 procent meer gestegen dan de lonen in Duitsland, Frankrijk en Nederland. Hoe komt dit? Volgens een rapport van de Nationale Bank uit 2012 is dit te wijten aan een “te hoge raming - op het ogenblik dat de norm werd vastgesteld - van de in de drie buurlanden verwachte gemiddelde stijgingen van de uurloonkosten”.

Met andere woorden: de loonstijging in de buurlanden werd te hoog ingeschat, waardoor de loonkosten in ons land te veel konden stijgen. Vooral de lonen in Duitsland stegen minder hard dan verwacht.

De CRB berekende dat het gemiddelde verschil in loonkosten tussen België en de buurlanden 4,8 procent gestegen was tegenover 1996. Waar haalde het VBO haar 16,5 procent dan vandaan?

“De loonkloof zegt niets over de werkelijke loonhandicap”, zegt VBO-hoofdeconoom Geert Vancronenburg, “in 1996 bestond er al een aanzienlijk verschil in loonkosten met de drie buurlanden. Als we dat verschil in rekening brengen, komen we een totaal verschil van 16,5 procent in loonkosten uit. Onze werknemers zijn dus 16,5 procent duurder dan collega’s uit de buurlanden.”

lees ook