Hoeveel bedraagt de loonkloof?

Volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven bedroeg de loonkloof vorig jaar 4,8 procent, zo weten we nu. Maar dat cijfer zegt niet alles.

Nogmaals: De “loonkloof” tegenover 1996 bedroeg vorig jaar 4,8 procent. Dat berekende de Centrale Raad voor het bedrijfsbeheer (CRB). Volgens het VBO komt dit neer op een feitelijk verschil in loonkost van 16,5 procent. Deze cijfers dienen echter genuanceerd te worden. Afhankelijk van welke factoren je in de berekening betrekt, kan de loonkloof met het buitenland waarden aannemen van 0,5 tot 7 procent.

Loonsubsidies doen loonkloof dalen tot 0,55 procent

De socialistische vakbond ABVV was de eerste om de cijfers van de CRB te betwisten. Volgens algemeen secretaris Anne Demelenne wordt in de berekening van de loonkloof namelijk geen rekening gehouden met loonsubsidies. “België is kampioen in loonsubsidies”, vertelde de ABVV-topvrouw vorig jaar aan Belga, “goed voor 11 miljard euro, waarvan waarvan 6 miljard niet in rekening wordt gebracht in de berekening van de loonkloof.”

We vroegen ons af: klopt deze bewering? In een rapport van de Expertengroep “Concurrentievermogen en Werkgelegenheid” (EGCW) uit juli 2013 vonden we inderdaad terug dat werkgevers inderdaad steeds meer beroep op kortingen op de arbeidslasten.

In 1995 werd in totaal voor 1,2 miljard euro steun verleend door de overheid aan werkgevers - via kortingen op sociale zekerheidsbijdragen en patronale lasten. In 2011 liep dit bedrag op tot 11,2 miljard. Dit is gelijk aan 5,75 procent van de totale loonmassa. Het rapport van EGCW toonde aan dat kortingen op patronale lasten opgenomen werden in de berekening van de CRB. Loonsubsidies - toch goed voor 3,18 procent van de totale loonmassa - werden niet opgenomen in de berekening van de loonkloof.

De Expertengroep maakte een inventaris op van loonsubsidies in de buurlanden en herberekende de loonkloof. Wat bleek? De loonkloof tussen België en de buurlanden slonk tot 0,55 procent.

Maar ook dit cijfer moet genuanceerd worden: het expertenrapport merkt op dat de meeste loonsubsidies gebruikt worden in sectoren die niet erg blootgesteld zijn aan internationale concurrentie. Wanneer een deel van de subsidies uit de berekening weggelaten wordt, bevindt de loonkloof zich volgens het rapport tussen de 2,06 procent en 3,37 procent.

Productiviteit doet loonhandicap dalen tot 1,5 procent

Opvallend: bovenstaande berekeningen maken enkel vergelijkingen gebaseerd op de bruto kostprijs van een arbeider. Het maakt dus niet uit hoe hard deze werknemer werkt, welke vaardigheden hij of zij heeft of hoeveel die - op basis van werkattitude, opleiding en ervaring - het bedrijf opbrengt.

Deze factor heet “productiviteit” en is niet weg te denken uit discussies over de loonkloof. Gert Peersman, professor financiële economie en lid van de Hoge Raad van Financiën, bevestigt: “In een land waar iedereen ingenieur is, zullen de lonen uiteraard hoger liggen dan in een land van meubelbouwers”, zegt hij, “maar ingenieurs hebben ook een hogere productiviteit dan meubelmakers. Wanneer je productiviteit in rekening brengt, neutraliseer je de structuur van de economie.”

Cijfers van de Expertengroep “Concurrentievermogen en Werkgelegenheid” (EGCW) tonen het volgende: wanneer de productiviteit van Belgische werknemers opgenomen wordt in de berekening, neemt het verschil in loonkosten van België met de buurlanden af van meer dan 16 procent tot 1,59 procent. De loonhandicap van Nederland en Frankrijk ten opzichte van de groep van 4 zou zelfs meer bedragen dan die van België. Duitsland blijft ongemoeid.

Maar ook hier moet een belangrijke kanttekening gemaakt worden. Het zou volgens sommige experts toch niet helemaal eerlijk zijn om productiviteit in het debat te betrekken. “De hoge loonkost heeft er net voor gezorgd dat veel bedrijven sterk geïnvesteerd hebben in automatisering”, stelt Geert Vancronenburg, “automatisering zorgt voor een verhoging van de productiviteit - hetzelfde doel wordt namelijk gerealiseerd met minder mensen. Bedrijven die het maximum geautomatiseerd hebben, zullen binnenkort toch overwegen naar het buitenland te vertrekken.”

Vergelijking met eurozone doet loonkloof stijgen tot 7 procent

Tot slot: de loonhandicap van 16,5 procent - of de loonkloof van 4,8 procent - wordt berekend op basis van de vergelijking tussen België en buurlanden Nederland, Frankrijk en Duitsland. We kunnen ons de vraag stellen: is het wel zinvol te vergelijken met de buurlanden?

Niet volgens professor economie Gert Peersman. “Deze landen werden gekozen omdat onze munt in 1996 gekoppeld was aan de munten van die landen”, vertelt hij, “we moesten enkel met die landen rekening houden bij een vergelijking van loonkosten. Sinds 1999 hebben we de euro. Het is nu logischer om de loonkosten in ons land te vergelijken met alle landen die de euro als munt hebben. Ten slotte verhuisde Ford Genk toch niet naar Duitsland, Frankrijk of Nederland? Het verhuisde naar Spanje.”

We berekenden een loonkloof die rekening houdt met productiviteit én een vergelijking maakt met de eurozone. Als referentiejaar namen we 2000, het eerste jaar waarin de data voor alle landen in de eurozone beschikbaar waren. We hebben enkel de oorspronkelijke 12 eurolanden in de analyse betrokken.

Wat blijkt? De loonkloof - berekend ten opzichte van het Europees gemiddelde met als referentiejaar 2000 - is gelijk aan 7,02 procent. Nederland scoort met 5,65 procent dichter bij het Europees gemiddelde. Frankrijk ligt met 4,53 procent nog iets dichter bij het Europees gemiddelde.

Opvallend: sinds de invoering van de euro is de loonkost in Duitsland amper toegenomen. De loonkosten liggen een stuk lager dan het Europees gemiddelde - met 10,89 procent.

Tussentijdse conclusie: het cijfer van de CRB is berekend op basis van een erg enge definitie van de loonkloof - een vergelijking met drie buurlanden ten opzichte van het jaar 1996.

Wanneer we loonsubsidies in de discussie betrekken, daalt de loonkloof tot een waarde tussen 0,55 en 3,37 procent. De factor productiviteit herleidt de loonhandicap van meer dan 16 procent tot 1,59 procent. Wanneer we ten slotte de loonkloof berekenen ten opzichte van de eurozone, dan is de loonkloof 7 procent. Duitsland scoort bijzonder ver beneden het Europees gemiddelde (zie grafiek bovenaan).

lees ook