“Het leek wel oorlogsgebied, zo uitgestorven en voortdurend sirenes”

Chaotisch en hectisch was ze, de meimaand waarin Wetteren werd opgeschrikt door een ontspoorde goederentrein vol toxische stoffen. Vijf Wetteraars blikken terug op die tumultueuze dagen waarin hun gemeente wel een bezette stad leek.

4 mei 2013. Om 5 uur 's ochtends is Charlotte onderweg op de E40 van Aalst naar Wetteren. Met een bestelwagen vol brood en gebak en een hart vol verwachtingen. Vandaag opent ze haar eerste bakkerswinkel, een filiaal van de zaak van haar vriend in Nieuwerkerken. 10.000 flyers heeft ze uitgedeeld. Er staan grote ballonnen aan de winkeldeur.

Maar aan de afrit Wetteren wordt ze tegengehouden. Agenten maken haar duidelijk dat ze de gemeente niet in mag, en waarom niet. "Ik ben beginnen te wenen, want het was zó pijnlijk", vertelt de openhartige Charlotte een jaar later. Onder politie-escorte wordt ze dan toch maar naar de bakkerij begeleid. “Veel succes”, klinkt het in een poging om de jonge winkelierster op te beuren. “Maar verwacht er maar niets van.”

“De beken staan in brand”

Op het moment dat Charlotte haar broden in de rekken heeft uitgestald, heeft Piet De Keulenaer er al een bewogen nacht opzitten. Hij ligt nog niet zo heel lang in bed als hij wordt opgeschrikt door brandweer- en politiesirenes, de ene na de andere. Het duurt niet lang of de hele straat staat vol auto’s van hulpdiensten. Vanuit zijn raam kan Piet De Keulenaer de plaats van de ramp zien.

“Een vuurzee”, zegt Paul De Neef, de brandweerman die in die tumultueuze dagen het korps van Wetteren aanvoert. Hij vervangt de commandant die net met vakantie is in Italië. “Langs de kant van de spoorweg stonden de beken in brand door de vloeistof die uit de wagons was gelekt. De trein zelf kon ik nog niets eens zien liggen”.

Piet De Keulenaer denkt eerst nog dat alles al bij al wel snel opgelost zal zijn. Maar als wagons hoort ontploffen, maken hij en zijn gezin zich klaar om te vertrekken. “Op dat moment was het duidelijk dat we geëvacueerd zouden worden". De Wetteraars op de hoogte brengen van de stand van zaken, is een taak voor Veerle Baert, werkzaam op de dienst communicatie van de gemeente. Ook zij is uit bed gebeld. In de prille zaterdagse ochtend bemant ze samen met collega’s de crisiscel die is ingericht in het Sociaal Huis. Vóór zessen al melden ze dat 250 inwoners geëvacueerd zijn.

“Het leek wel oorlogsgebied, zo uitgestorven”

Enkele uren later troepen de Wetteraars opgewonden samen op een brug over de spoorweg om een glimp op te vangen van de laaiende wagons in de verte. Maar op Markt en in de omliggende straten gaat het leven gewoon zijn gangetje.

Tegen de middag slaat de sfeer om. Politiewagens rijden rond en manen de inwoners aan om binnen te blijven en ramen en deuren gesloten te houden. Er worden vijf extra straten geëvacueerd. De straat die grenst aan Charlottes bakkerij is erbij, al mag haar winkel op de hoek nog gewoon open blijven. “Het leek wel oorlogsgebied, zo uitgestorven, en voortdurend sirenes van politie en hulpdiensten”. Ook de crisiscel waar Veerle Baert aan de slag is, is geëvacueerd. Ze wordt verhuisd naar buurgemeente Wichelen.

Journalist Eric Bracke, die een jaar later een toneelstuk over de treinramp zal schrijven, slaat de raad om binnen te blijven in de wind en maakt een fietstocht naar Gent. Op de Vrijdagmarkt ziet hij vrijwel meteen een aantal dorpsgenoten zitten. “Een Wetterse diaspora”, grinnikt hij. De “vluchtelingen” grappen eerst nog over de chaos in hun gemeente, maar de sfeer wordt bedrukt als ze in het nieuws “twee doden” horen vermelden.

Later op de dag wordt dat cijfer bijgesteld. De ramp heeft één dodelijk slachtoffer geëist, een man die samen met zijn hond is bezweken aan giftige dampen die zijn opgestegen door vervuild bluswater dat in de riolen is terechtgekomen.

De chaos heerst

’s Avonds heeft de brandweer de wagons geblust, maar is de aandacht verlegd naar het meten van giftige stoffen in de rioleringen. 500 gezinnen, onder wie dat van Piet De Keulenaer, kunnen nog niet terug naar huis. De hulpdiensten en de crisiscel blijven volop in de weer. In haar bakkerswinkel heeft Charlotte al haar broden moeten weggooien.

De volgende dagen heerst de chaos. Mensen mogen terug naar huis, maar worden daarna toch weer geëvacueerd. De familie van het dodelijke slachtoffer heeft al te lang op het nieuws van zijn dood moeten wachten. Bezorgde Wetteraars laten bloed prikken, de huisartsen doen het gratis. Er is veel lof voor de hulpverleners, maar de ergernis over de gebrekkige communicatie groeit. “Mensen werden gefrustreerd en wantrouwig”, zegt Veerle Baert, die vanaf maandag heeft postgevat in een speciaal loket in het stadhuis.

“Kritiek op de informatie zelf hebben we niet gekregen, want we waakten erover dat die correct was. Wel was er irritatie over het lange wachten. We kregen het verwijt dat we de waarheid niet spraken. De verwarring was enorm, ook door wat er in kranten en op tv werd gezegd, en op de sociale media. Tijdens één nacht heb ik eens vier uur lang geprobeerd om een loos gerucht dat via Facebook was verspreid de wereld uit te helpen. Tevergeefs.”

“Bizar hoe een rioolput plots zo dreigend kan lijken”

Op dinsdag, de vierde dag van de ramp, is de chaos compleet. Die dag wordt een grootscheepse evacuatie van alle inwoners van Wetteren, Schellebelle en Serskamp niet uitgesloten. Er wordt gevreesd voor hevige regen die het gif uit de riolen zou kunnen opstuwen. “Op dat moment was het duidelijk dat niemand nog wist wat er zou gebeuren”, zegt Piet De Keulenaer. “Hulpverleners liepen met gasmaskers rond op de Markt terwijl mensen er ongestoord op de terrassen zaten”. Heeft hij tot dan in de gemeente verbleven, nu neemt hij het zekere voor het onzekere en vertrekt naar een buitenverblijf aan zee.

Ook Charlotte houdt het voor bekeken. Vlakbij haar bakkerij wordt in een pompput een giftige concentratie gemeten van zeven keer de dodelijke dosis. Mensen die net weer naar huis mochten, worden opnieuw geëvacueerd. Charlotte laat haar gebakjes liggen en keert terug naar Nieuwerkerken. Pas het volgende weekend staat ze opnieuw in haar Wetterse winkel.

Als de eerste regendruppels vallen, staat Veerle Baert na alweer een hectische werkdag buiten voor het stadhuis een sigaretje te roken. “Ineens merkte ik dat ik toch wel heel dicht bij een riooldeksel stond”, zegt ze. “Bizar hoe zoiets plots zo dreigend kan lijken”.

Diezelfde avond haalt Wetteren opgelucht adem. De gevreesde grootscheepse evacuatie komt er niet, want na de regenbui blijken de metingen in de riolen gunstig. Toch zal het nog weken duren voor alle inwoners terug naar hun huizen kunnen.

“Moeten er honderden doden vallen voor er iets verandert?”

Dan pas ebt de aandacht voor Wetteren langzaam weg. Maar veel Wetteraars blijven ook een jaar na de ramp nog met vragen zitten. "Over de hulpdiensten niets dan lof", zegt Piet De Keulenaer. "Zij hebben fantastisch werk geleverd. Het optreden van de Vlaamse overheid daarentegen was ondermaats. De Vlaamse Milieumaatschappij hebben we niet gehoord. Niet tijdens de ramp en ook niet achteraf. Minister Schauvliege, bevoegd voor Leefmilieu: idem dito."

Al liet hij zelf geen bloed prikken, De Keulenaer vraagt zich ook af wanneer de analyse van de bloedstalen die veel Wetteraars lieten nemen, eindelijk afgerond zal zijn. Een jaar na de ramp is het nog altijd wachten op de resultaten.

Wat hem vooral verontrust, is dat er vandaag op dezelfde spoorlijn nog altijd treinen rijden die geladen zijn met hoogst schadelijke stoffen. "Het lijkt me nu toch niet zo moeilijk om Europees te regelen hoe dergelijk transport georganiseerd moet worden. Daar is nog altijd niets aan gedaan. Ik vrees dat het pas zal gebeuren als er niet één, maar honderden doden vallen."