De schoonheid van het lelijke Brussel - van Laeken

Als Brussel in het nieuws komt is het meestal om er iets negatiefs over te berichten. Criminaliteits- en werkloosheidscijfers, woningnood, de pest van de auto. Krantenstukken over Brussel worden meestal geïllustreerd met een foto van een banale straat met een hoop vuilnis op de stoep. Dat helpt niet om een stad geliefd te maken.

Trouwens, mag je überhaupt iets over Brussel zeggen als je er niet woont? Te mijner verdediging: ik héb er twee keer gewoond, samen zeven jaar, ik heb er altijd gewerkt en veel rondgelopen. En dat laatste doe ik nog steeds.

iPhone

Onlangs las ik twee opiniestukken in de krant waarin naar Brussel werd gekeken vanuit een totaal verschillend perspectief. De ene auteur is een man, een Vlaming die in New York woont, ‘ondernemer en journalist’ (een vreemde combinatie, dacht ik onwillekeurig); de tweede een vrouw, Franstalig maar met een goede kennis van het Nederlands, woonachtig in Brussel, docente aan de UCLouvain.

De eerste auteur was in Brussel op een internationale conferentie van studenten in de diplomatie. Met tweeduizend waren ze, uit 60 landen. Er zijn een paar incidenten. Een Duitse deelneemster wordt overvallen, de boefjes gaan er met haar iPhone vandoor. Voor de ogen van een groep professoren speelt zich een straatgevecht af waarbij twee mannen elkaar minutenlang met ijzeren stoelen te lijf gaan, de proffen moeten zich uit de voeten maken. Overigens moest de bijeenkomst op drie verschillende plaatsen doorgaan omdat Brussel geen conferentiecentrum heeft waar je met z’n tweeduizend in kan. De International Congress and Convention Association zet Brussel in haar ranking van Europese steden pas op de twaalfde plaats. In de ogen van de Vlaamse New Yorker gaat de status van Brussel erop achteruit. Hij klaagt over het openbaar vervoer en dat er te weinig politie op straat is. Wie in Brussel is, concludeert hij, ‘is er omdat de EU of regeringsleiders het zo willen; wie er niet moet zijn, blijft weg’.

Diversiteit

De tweede auteur woont in de Poststraat/rue de la Poste, niet ver van het Noordstation. Ze beschrijft lyrisch de ‘ravissante diversiteit’ van haar buurt: Marokkanen, Bulgaren, Turken, een Congolese moeder met haar kinderen, een Braziliaanse kunstenares en natuurlijk ook geboren en getogen Brusselaars en ingeweken Vlamingen en Walen. Ze zet zich af tegen het in haar ogen onzinnige onderdeel van het N-VA-plan voor Brussel om al die mensen te doen kiezen voor een Vlaamse of Waalse subnationaliteit. Wat me vooral voor haar inneemt is haar vrolijke, optimistische kijk op Brussel: ze is verrukt over de ‘kleurrijke straatjes’ en de ‘bruisende omgeving’ waarin ze woont, ze voelt zich een ‘tevreden acrobate, een danseres op een koord’.

U voelt het wel, ik lees liever blijmoedige stukken over Brussel dan klaaglijke. Dat betekent niet dat ik ziende blind ben. Ik behoed mij voor het onbesuisd bewieroken van de ‘multiculturele stad’. Ik zie het vuil in de straten ook wel liggen, en vooral ook wáár het ligt. Er zijn vermoedelijk weinig grote steden waar de tweedeling arm-rijk zo in het oog springt. Aan de ene kant delen van Brussel-centrum, Molenbeek, Sint-Joost, Schaarbeek, Anderlecht, de zogenaamde ‘arme sikkel’ waar een kwart van de kinderen opgroeit in gezinnen zonder inkomen uit werk, aan de andere kant de rijke buurten van de twee Woluwe’s, Ukkel, Watermaal-Bosvoorde. Als ik met inbreken mijn brood zou willen verdienen weet ik wel waar mijn werkterrein ligt.

Vijfenzestig trappen

Ik heb in de jaren zeventig vlak bij Sint-Job gewoond, toen zowat de enige volkswijk van Ukkel, vandaag volledig veryupt. Twintig jaar later heb ik een jaar of twee in de Arteveldestraat gewoond, op een steenworp van de beruchte no-gozone van Anderlecht. (Zogenaamd, want het is geen no-gozone en al evenmin een getto). Voelen journalisten zich aangetrokken tot stadswijken met een kwalijke reputatie? Ik liep er in elk geval vaak rond te neuzen. Ik ben er nooit lastiggevallen, al weet ik dat het voor hetzelfde geld - c’est le cas de le dire - wél gebeurd had kunnen zijn. En al besef ik dat rondlopen in zo’n moeilijke wijk iets anders is dan er wonen.

Onlangs stapte ik uit in metrostation Schuman. Ik wou wat ‘Europese lucht’ opsnuiven. Het station is tegenwoordig, door de werkzaamheden, een onguur gangenlabyrint (‘tegenwoordig’ duurt al drie jaar). Er moet ergens een roltrap zijn maar ik vond hem niet meteen en liep de vijfenzestig betonnen treden op. Bovengekomen, enigszins buiten adem, keek ik uit op een van de meest troosteloze pleinen van Brussel. Een paar skeelers haalden kunstjes uit op het parvis voor het Schuman-gebouw, een verwarde vrouw duwde een kinderwagen waarop haar hele hebben en houden was gestapeld voor zich uit, ze praatte tegen zichzelf en haar twee honden. In het midden van het plein is een klein parkje dat de Engelsen als nondescript zouden omschrijven, zeg maar zonder enig karakter, een beetje saai, oninteressant. Zelfs hier, op een plein waar het hart van Europa zou moeten kloppen, vind je nog die typische slonzigheid, dat verfomfaaide wat Brussel heeft. Brusselaar en filosoof Philippe van Parijs herinnert er mij in De Standaard aan dat al begin 2001 de toenmalige Commissievoorzitter Romano Prodi heeft gevraagd om van het Schuman-plein een ‘ontmoetingsplaats voor Europa’ te maken, een ‘piazza van het continent’. Het is, dertien jaar later, nog steeds een lelijke rotonde waarover vooral auto’s razen.

Zoals Marc Didden schrijft in Een gehucht in een moeras, dat mooie Brussel-boek van hem: ‘Niets werkt in Brussel en dat vind ik tegelijk de gesel en de grote charme van die stad’. Klopt helemaal. Om de schoonheid van het lelijke te zien moet je waarschijnlijk Belg zijn en vaak door Brussel dwalen.

(William van Laeken is oud-journalist van de VRT.)
 

lees ook