Een cadeau voor Mendeljev - Stijn Meuris

Had de ouwe Mendeljev dat nog mogen meemaken, hij was vast en zeker onder de indruk geweest. Ik bedoel, de bebaarde Rus had gewoon het idee om alle gekende atoomelementen netjes in een lijst te gieten, om een einde te maken aan de natuurkundige chaos die er destijds heerste.

Of nauwkeuriger: er was wel kennis, maar amper ordening. De elementen en hun eigenschappen waren gekend (tenminste, de meesten), maar er zat geen lijn in de rangorde. Iemand moest de administratieve kant van de zaak in orde brengen, en Mendeljev was degene die zich stortte zich op die taak.
Met twee gevolgen:
a) Honderd jaar mooie tabellen aan de muren van honderdduizenden klaslokalen.
En b) het besef dat er blijkbaar geen einde aan komt, aan die lijst. Ik kan me zo voorstellen dat uitgevers en drukkers uit de educatieve sector daar geen bezwaar tegen hebben, tegen een nieuw element bij tijd en wijle.

Nummer 117

Sedert deze week mogen we immers element 117 bijschrijven op de lijst die ooit begon met nummer 1, zijnde waterstof. Sterker nog; er is al een 118 op komst, al lijkt dat onderdeeltje van de kosmos en het leven nog wat warrig – en dus nog een beetje in de wachtzaal. Maar 117 is dus een feit, en het werd officieel ununseptium genaamd. Eenéénzeven in het Nederlands. Wat ik een beetje een artistieke tegenvaller vind in het licht van de fraaie benamingen die eerdere elementen hebben gekregen. Natrium. Helium. Beryllium. Polonium en plutonium. Wolfram. Die klinken stuk voor stuk poëtisch en dragen een soortement dreiging in zich. Poloniumvergiftiging, zoiets. Om het immer hilarische strontium niet te vergeten. U kent trouwens strontium; strontium zorgt voor de machtig mooie rode kleur in het vuurwerk boven de stad.

Opgewekt in laboratoria

Ununseptium telt 117 protonen en evenveel neutronen en geldt daarmee – op 118 na dan – als het zwaarste element dat ooit werd waargenomen. Ik zei bijna ‘dat de Big Bang heeft voortgebracht’, maar dat klopt niet helemaal: de zwaarste elementen uit de tabel van Mendeljev komen niet uit zichzelf voor in de natuur, maar worden opgewekt in laboratoria waar men atomen op elkaar laat botsen om vervolgens te kijken welke nieuwe deeltjes daar uit voortkomen. Een heel gedoe is dat, want de botsingen van atomen leveren doorgaans een hoop ruis en puin op, waarbij het de kunst is om – tussen de restanten door – eventuele nieuwe stipjes te onderscheiden.

Dat gebeurt in een zogenaamd bellenbad, een ondergrondse kuip die als voordeel heeft dat de sporen van de atomaire clash er haarfijn in gefotografeerd en opgemeten kunnen worden. Nog los van de wetenschappelijke waarde daarvan levert zo’n bellenbad ook altijd knappe, artistieke foto’s op. Foto’s gemaakt met een wel zéér korte sluitertijd, want de levensduur van al die recente, artificiële deeltjes bedraagt soms slechts een paar miljoensten van een seconde. Je zou je kunnen afvragen of we daar ooit veel aan gaan hebben, aan partikeltjes die – schuchter als ze zijn - amper een fractie van een fractie bestaan.

De Grote Kosmische Blauwdruk

Tot zover het technische. Ik vind het filosofische namelijk interessanter. De gedachte dat de mens in staat is om atomaire ingrediënten te kweken die aanvankelijk niet in de Grote Kosmische Blauwdruk voorkwamen, zou je kunnen zien als het ultieme bewijs van de maakbare maatschappij. We hebben niet voldoende aan de natuur; we maken onze eigen versie van de natuur. Met godweetwelke voor- en nadelen dat dat straks oplevert.
Zelf probeer ik me telkens in te beelden hoe zo’n minuscuul atoompje er uitziet. Wat een onzinnige denkoefening is, want het menselijke brein is niet goed geëquipeerd om dergelijke micro-proporties in te schatten.

Hou dat idee even vast

Maar om toch een idee te geven; stel dat een waterstofkern de afmetingen heeft van een sinaasappel. Dan cirkelt het ene elektron daar omheen op een afstand van – hou je vast – 5 kilometer. Tussen proton en elektron bevindt zich volstrekt niets. Dat noemen we een atoom, een wel zèèr ruimzittende constructie die vooral uit leegte bestaat. Veel eenzamer dan een elektron in een orbit rond een proton bestaat niet. En dat terwijl we op school altijd knutselwerkjes te zien kregen van dikke gekleurde bollen die op hooguit vijf centimeter van mekaar zweefden. Onderling verbonden met houten stokjes.

Hou dat idee even vast. Het betekent immers ook dat alle materie die we kennen, bestaat uit bijna niets. Echt alles: het asfalt waarop je rijdt, de auto waarin je zit, het voedsel dat je tot je neemt en de zuurstof die je ademt middels de longen die je hebt. Denk nog even verder: ook de hersencellen waarmee je hier over nadenkt bestaan grotendeels uit niks. Mijn moeder zou zeggen: ‘Uit lucht’, maar ook dat klopt niet. Nee, uit niets.

Een spookdeeltje

En nu is er dus weer een deeltje bijgekomen. Ununseptium, een soort spookdeeltje dat zich moeilijk en vooral slechts héél even laat zien. Door geen God gepland of gemaakt, maar door menselijke geleerden - mannen in witte stofjassen en met drie stylos in de het borstzakje - tot leven gewekt. Spannend is het zeker; stel je voor dat ununseptium ons binnen afzienbare tijd volledig nieuwe, revolutionaire en nu nog onmogelijk in te schatten materialen schenkt. Jazeker, de 21ste eeuw is nu wel écht begonnen. Als u d’r uit wil dan is het nu echt wel te laat.

(Stijn Meuris is muzikant, auteur, performer en filosoof.)

lees ook