De dodenzee

VRT-journaliste Katrien Vanderschoot reist naar Melilla, een Spaanse enclave op het Noord-Afrikaanse vasteland grenzend aan Marokko. Ze wil er berichten over de situatie van de vluchtelingen die in wanhopige pogingen om Europa te bereiken hun leven riskeren. In haar eerste dagboekstuk blikt ze vooruit, terwijl ze de oversteek maakt vanuit Màlaga naar Melilla.

De haven van Màlaga. Palmbomen, brede lanen, de kathedraal en de burcht in de verte. In de vertrekhal van de Trasmediterraneo is het wachten op de nachtelijke oversteek naar Melilla. Er liggen koffers en reistassen, een moeder probeert haar dochtertjes koest te houden, enkele jongelui halen hun eten boven wanneer de zon onder is. Iedereen kuiert op het gemak naar het grote witte schip. Wanneer we de haven uitvaren, ga ik aan de reling staan in het duister. De golven zijn al flink hoog, hun schuimkoppen blinken in de scheepslampen.

Ik zie er plots de foto in die vorige week op Facebook verscheen. Een luchtbeeld van een klein bootje volgepakt met mannen, vrouwen en kinderen. Ze steken de armen smekend op naar de helikopter van de Italiaanse kustwacht die de foto nam. Het bootje spartelt tussen de schuimkoppen als een grote kwetsbare vis.

Volgens schattingen zijn er de voorbije tien jaar zeker 20.000 mensen verdronken bij hun overtocht van Noord-Afrika of Turkije richting Europa. Het zijn ‘maar ‘ schattingen, maar het is wel zeker dat de Middellandse Zee een echte Dodenzee kan worden genoemd. En toch blijven ze het doen.

Het Europese grensbewakingsagentschap Frontex heeft berekend dat vorig jaar het aantal mensen dat illegaal de grenzen naar Europa overstak van 70.000 tot 107.000 is toegenomen. Of om nog een hallucinant cijfer te noemen: volgens UNHCR, het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen, waren er sinds de Tweede Wereldoorlog nog nooit zoveel mensen op de vlucht voor oorlog of vervolging als het voorbije jaar.

Het bloedvergieten in Syrië en Irak, maar ook de Centraal-Afrikaanse Republiek, Zuid-Soedan en Mali maakte vele duizenden nieuwe vluchtelingen.

De poorten van Babylon

Enkele van die mensen zal ik morgen zeker terugvinden buiten de Spaanse enclave Melilla, op het Noord-Afrikaanse vasteland, grenzend aan Marokko. Rondom staat een afsluiting, la valla, die erger lijkt dan de Berlijnse muur. Twaalf kilometer lang, drie schuine hekken van zes meter hoog, met prikkeldraad, sirenes, spuitsystemen met pepperspray… en voor wie er toch - al of niet zwaargewond - overheen raakt, staan er aan de Spaanse kant wachtposten en helikopters klaar.

Toch blijven ze het ook daar proberen, langs dat hek of langs de zee. Vorige week nog probeerden zeker 100 mensen het hek te beklimmen, slechts een twintigtal raakte er overheen. En vandaag nog braken er onlusten uit tussen Malinezen en Kameroeners in de kampementen op de heuvels rond Melilla.

Wat bezielt hen? Helpt die afschrikking? Wat vinden de inwoners zelf van die toevloed? Waarom kunnen Europa en bufferlanden als Marokko geen menselijker oplossing vinden? Dat zijn vragen voor de volgende dagen. Zodra we zelf de woelige zee over zijn, maar dat is geen probleem voor dit ruime, krachtige schip met kajuiten, kotszakjes en reddingssloepen.