1914: financiële crisis bepaalde resultaat van WO I

De vrees voor het komende wereldconflict leidde in juli 1914 ook tot paniek op de financiële markten. Londen, toen het economische centrum van de wereld, daverde op zijn grondvesten en dus ook de rest van de planeet.

De financiële crisis van juli en augustus 1914 was een van de grootste ooit en toch is die weinig bekend. Logisch: als de kogels rond uw hoofd vliegen, is het rendement op uw beleggingen niet meteen uw grootste kopzorg. Toch had de crisis een enorme impact op de verhoudingen in de wereld en bepaalde die mee het resultaat van de oorlog.

De moord op aartshertog Franz-Ferdinand in Sarajevo had de markten niet echt verontrust. Het was een van de zovele crises in de Balkan. Toen Oostenrijk-Hongarije op 23 juli 1914 Servië een ultimatum stelde, nam de onrust op de markten wel fors toe. De dreiging van een grote Europese oorlog werd plots reëel.

Liquiditeit droogde op en banken leenden elkaar geen geld meer. Voor de banken in Europa vormden zich lange rijen van mensen die hun spaargeld kwamen ophalen of wilden omzetten in goud en op de beurzen kelderden de aandelen door massale verkooporders. Naarmate steeds meer landen mobiliseerden, moesten de banken de deuren sluiten, omdat ze niet genoeg geld in voorraad hadden.

"The City of London" sluit de deuren

In de laatste week van juli 1914 stond het financiële systeem wereldwijd op instorten. Dat werd het meest gevoeld in "The City of London", toen het financiële centrum van het British Empire en de wereld. Groot-Brittannië was toen de toonaangevende economische macht ter wereld en crisis in Londen betekende crisis overal.

Op vrijdag 31 juli 1914 sloten zowel de Britse banken als de beurs van Londen. Die beurs zou zelfs vijf maanden lang dicht blijven, de langste "shutdown" van de LSE ooit. Elders bleven de meeste grote beurzen dicht tot begin september, toen de oorlog al volop woedde.

De Bank of England -de spil waarrond de centrale banken van de wereld toen draaiden- stond op instorten omdat mensen hun geld in goud wilden omzetten. Dat kon door de "Gouden Standaard", waardoor de waarde van het Britse pond sterling -de spil van de wereldhandel- gekoppeld was aan goud en vrij inwisselbaar was. De beleggers kozen nu voor het veiligere goud, maar de goudstandaard zou overigens vrij snel worden opgeheven.

Staatsinterventie redde de City en de economie

De Britse economie werd uiteindelijk gered door een massale staatsinterventie. De Bank of England trok de rente op van 3% tot 10% en liet banken toe om spaardeposito's slechts beperkt uit te betalen aan de spaarders. Meteen werd massaal ook nieuw geld in kleine coupures gedrukt en toen de banken opnieuw de deuren openden op 7 augustus, bleek de paniek weggeëbd te zijn.

Net als in 2008 kwam de overheid massaal tussenbeide om wankelende banken te redden met kapitaal. Er werd nieuw geld gedrukt en de centrale banken kochten op grote schaal  waardepapieren op om de terugval in koers af te remmen.

Die maatregelen leidden ertoe dat Groot-Brittannië de financiële ineenstorting kon vermijden, maar niet de terugval als toonaangevende economische macht. Die rol zou voortaan worden uitgeoefend door de Verenigde Staten, die pas in 1917 in de oorlog zouden stappen. De Britse schuld nam fors toe en tot vandaag betaalt Londen nog rente op 125.000 "war bonds" of oorlogsobligaties die tussen 1914 en 1918  aan het publiek verkocht werden.

Andere landen zouden de crisis echter veel moeilijker verteren. Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije en Rusland beleefden een zware crisis en de twee laatste rijken zouden nog tijdens de oorlog in elkaar storten. Parijs kon dat op het nippertje vermijden. Het Duitse keizerrijk dat economisch veel sterker stond, stortte pas in 1918 in elkaar en dat verklaarde ook de Duitse nederlaag.

België was niet langer industriële grootmacht

Voor de oorlog was ons land een van de meest geïndustrialiseerde en welvarende staten ter wereld met internationale giganten zoals Solvay. Vier jaar van Duitse bezetting zou echter een zware tol eisen.

Behalve in de Westhoek, Luik, Leuven en Aarschot richtte de oorlog weinig schade aan, maar de bezetter sloeg wel fabrieken aan en plunderde rijkdommen, kunst, voorraden tot zelfs metaal van brouwketels en kerkklokken werd omgesmolten tot Duits oorlogstuig.

Belgische fabrieken en filialen in het buitenland schaarden zich achter de geallieerde oorlogsinspanning, die in Centraal- en Oost-Europa werden genaast door de vijand of gingen verloren door bijvoorbeeld de Russische Revolutie.

De wederopstanding na de oorlog verliep erg moeizaam en het zou tot midden de jaren 20 duren vooraleer er sprake was van herstel. Hoe dan ook had de Belgische industrie tijdens de bezetting veel afzetmarkten verloren en viel ons land naar beneden op de wereldranking.