Latijns-Amerika zoekt zichzelf - Marc Peirs

Revolutionair vuur of progressieve pragmatiek, links heeft vele gezichten op het “rode continent”. Maar hoe snel en diepgaand de verandering ook snijdt, sommige gesels blijven Latijns-Amerika onveranderlijk plagen.
analyse
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

Ecuador, Nicaragua, Brazilië, Venezuela, El Salvador, Chili, Bolivia, Cuba, Peru, Uruguay, Argentinië ... et j’en passe. Niet enkel allemaal latinolanden, ook allemaal linkse landen. Maar achter dat containerbegrip “links” schuilt een waaier aan diversiteit. Diversiteit in types van politieke leiders: van de bedaarde dame Bachelet in Chili tot de rauwdouwer Correa in Ecuador. Diversiteit in aanpak: van het pragmatische vrijhandelsbeleid in Peru tot de staatsgeleide economie in Cuba. Diversiteit in succes, ook: van het bloeiende Uruguay tot het in al zijn radarwerken knarsende Venezuela. Waar staat Latijns-Amerika vandaag en waar gaat het heen? Een verkenning, een zwerftocht langs Andes en Amazone.

Here to stay?

In de jaren 1990 kon je er vergif op innemen dat bij om het even welke verkiezing in Latijns-Amerika de (neo)liberale kandidaat het pleit won. De trendbreuk kwam er in 1998, uitgerekend op Sinterklaasdag 6 december, toen Venezuela koos voor de Bolivariaanse Revolutie van Hugo Chávez. Zijn (toen) inspirerende voorbeeld en het ongeduld omdat de neoliberale recepten de verwachtingen niet inlosten, zorgden voor een bocht linksom in zowat het hele continent. Nieuwe gezichten zoals Rafael Correa in Ecuador (sinds 2006) kwamen aan de macht, elders waren het de aloude guerrillero’s die na járen politieke woestijn opnieuw de oase van de macht bereikten: denk aan ouwe getrouwe Daniel Ortega, sinds 2007 president van Nicaragua.

Een opvallende trend is dat een rist van die linkse presidenten de grondwettelijke beperkingen op herverkiezing sloopten. Venezuela, Nicaragua, Ecuador, Bolivia zijn voorbeelden van landen waar het presidentschap nu zonder veel poeha tig keer opeenvolgend door een en dezelfde kan worden opgenomen. Opposanten en democraten zien in die machtsconcentratie een cubanisering, waar de Castroclan al sinds 1959 de plak zwaait. Het 19de-eeuwse ‘caudillismo’, de traditionele verheerlijking van de Sterke Man, in een olijfgroen, revolutionair-links jasje dus. Anderzijds: de linkse caudillo moet er natuurlijk bij elke verkiezing weer in slagen een meerderheid achter zich te krijgen. Enkel voor Raúl Castro met zijn eenpartijstaat is dat alweer een zorg minder.

Die verankering van de macht laat verschillende van deze linkse leiders ontsporen. Soms gaat het om koddige zotternij, zoals Evo Morales van Bolivia, die recentelijk besliste dat de wijzers van de Boliviaanse klokken voortaan naar links zullen draaien. Andere voorbeelden zijn veel minder onschuldig. In Venezuela bijvoorbeeld staat de persvrijheid danig onder druk. Kritische journalisten worden er lastiggevallen en geïntimideerd. Tel daarbij een schrijnend tekort aan krantenpapier en het mag niet verwonderen dat zelfs de meest prestigieuze kwaliteitskrant ‘El Universal’, na 104 jaar in bezit te zijn geweest van dezelfde familie, begin juli is verkocht. De nieuwe eigenaars plaatsten prompt een manager met nauwe banden met het regime aan het hoofd van de redactie. Krek hetzelfde gebeurde eerder al met het televisiestation ‘Globovision’, lange tijd de luis in de pels van het chavisme, en nu geleid door een zakenman die bevriend is met de chavistische parlementsvoorzitter Diosdado Cabello. Ook in Ecuador botst het regime van Correa geregeld met milieu- en mensenrechtenorganisaties en Cuba, tja, Cuba, dat blijft politiek de dictatoriale eenpartijstaat als vanouds: in juli zijn nog maar eens ruim honderd vrouwen van de “Witte Dames”-beweging opgepakt bij hun traditionele protest tegen het vasthouden van politieke gevangenen.

It's the economy, stupid

Tot in de jaren 1980 was het economische beleid van Latijns-Amerika goeddeels gebaseerd op de zogenaamde importsubstitutie van de Argentijnse econoom Raúl Prebisch. Die hield vol dat armere, perifere landen, zoals die van Latijns-Amerika, die toen niet veel anders te bieden hadden dan ruwe materialen, landbouwproducten en grondstoffen, de import uit het buitenland aan banden moeten leggen ten bate van de uitbouw van een eigen, nationale industrie. In de praktijk betekende dat veelal dat krakkemikkige staatsbedrijven al even krakkemikkige waar afleverden, niet opgejaagd door enig kwaliteitsbesef bij ontstentenis van buitenlandse concurrentie.

In de jaren 1990 werd het geweer radicaal van schouder veranderd. Beïnvloed door de neoliberale zienswijze van de Chicago Boys gooide de nieuwe generatie politieke leiders Latijns-Amerika resoluut op het altaar van de globalisering. Open grenzen en vrije handel waren de nieuwe credo’s. Via het trickledowneffect zou de verworven rijkdom als een weldadige regenbui ook tot onderaan in de samenleving neerdalen, zo dacht men. Fout. Van trickledown viel ook na verschillende jaren neoliberalisme weinig te merken.

Vandaar dat de huidige, linkse machthebbers de overheid opnieuw een stevige rol in de economie laten spelen. In Uruguay bijvoorbeeld is de staatsbank Banco de la República verreweg de grootste speler. Meer dan de helft van de banksector is in handen van de overheid. Zo’n land als Uruguay, net als onder meer Chili, Nicaragua, El Salvador of Venezuela, zet ook een batterij sociale en arbeidswetgeving in de steigers.

In verschillende landen slaat het beleid aardig aan. Zeker sinds 2010, na het verteren van de bankencrisis, kunnen vele landen mooie groeicijfers voorleggen. Grootmacht Brazilië zag, als fiere deelgenoot aan het BRIC-kwartet, de economie jarenlang boomen met makkelijk zes procent groei. Een spektakel zoals het WK voetbal in juni-juli moest het mirakel Brazilië aan de wereld tonen. Maar de felle kritiek en vaak ontspoorde betogingen tegen de hoge kostprijs van het WK - geld dat volgens de betogers beter besteed werd aan sociaal beleid - wierpen een smet op het blazoen.

Landen als Bolivia en Ecuador boeken ruim 2 procent groei, Nicaragua 6 procent, Uruguay of Argentinië 8 procent – al is de economie van laatstgenoemd land wel heel labiel. Argentinië ligt immers in de clinch met een Amerikaans hefboomfonds van durfkapitalist Paul Singer over de terugbetaling van Argentijnse staatsschuld. Na de zware crisis en het nationale faillissement van 2001 had Buenos Aires met de meeste schuldeisers een overeenkomst bedongen waarbij de Argentijnse schatkist 30 procent van de schulden terugbetaalde en de schuldeisers dus 70 procent verlies slikten. Maar Singer en consorten weigerden die deal en blijven de volledige terugbetaling van de schuld eisen. Eind juni kregen ze van de rechtbank in New York gelijk. Volgens dat vonnis moet Argentinië aan Singer het volle pond, zeggen en schrijven anderhalf miljard dollar, terugbetalen. Maar president Kirchner weigert halsstarrig te plooien voor wat ze “aasgierfondsen” noemt.

De trotse en economisch armlastige Argentijnen volgen de presidente maar wat graag in de kruistocht tegen de hebzuchtige Yankees. Zo is voor Kirchner het verzet tegen de schuldeisers niet enkel een economische maar ook een politieke erezaak geworden.

Dankzij links?

Het is nog maar de vraag of de economische groei in veel latinolanden resoluut toe te schrijven valt aan het gevoerde linkse beleid. Immers, ook Colombia, bestuurd door de liberale president Santos, boekt groei. En de - althans in naam - progressieve regeringen van Mexico, Peru en Chili hebben met datzelfde Colombia in 2012 de zogenaamde Pacifische Alliantie boven de doopvont gehouden, een nieuw economisch samenwerkingsverband dat streeft naar integratie op basis van vrijhandel, vrij verkeer van goederen en diensten én de blik richt op de nieuwe zakenpartners aan de Aziatische zijde van de Stille Oceaan.

De meer klassiek progressieve landen van de Mercosur (Brazilië, Argentinië, Paraguay en Uruguay) en vooral de revolutionair-linkse staten van de Bolivariaanse Alliantie voor Amerika (Venezuela, Ecuador, Bolivia, Cuba en een handvol eilandstaatjes) bekijken de nieuwe Pacifische Alliantie met enig wantrouwen.

Maar van die revolutionaire bolivariaanse landen doet in elk geval Venezuela het bar slecht: de economie krimpt er met 3 procent en de inflatie galoppeert vlot richting 60 procent. De malaise zorgde ervoor dat president Maduro afgelopen juni de orthodox-marxistische minister van Plan Jorge Giordani, sinds jaar en dag de architect van het falende economische beleid, aan de deur zette. De interne verdeeldheid in het chavistische kamp ligt daarmee open en bloot op straat.

Ook de Cubaanse kameraden hebben grote economische kopzorgen. Vorig jaar groeide de economie nog met 2,7 procent. Dit jaar was 2,2 procent groei ingecalculeerd. Maar ook dat lagere cijfer is intussen naar onder bijgesteld tot 1,4 procent. Intussen belooft Raúl Castro door te gaan op het pad van de voorzichtige, zeg maar schuchtere, hervorming. Dat pad wordt inderdaad tergend traag bewandeld. Eén voorbeeld: sinds begin dit jaar mogen Cubanen individueel een nieuwe wagen kopen. Het is de staat die de wagen invoert en verkoopt. Aan dolle prijzen. Een Hyundai kost je 60.000 dollar, een Volkswagen Passat zet je 67.500 dollar lichter. Resultaat: sinds begin dit jaar zijn er welgeteld 54 wagens verkocht.

In een lang gesprek dat ik had met wereldreizigster en oorlogsreporter Martha Gellhorn zuchtte ze: “Die arme, arme landjes van Midden-Amerika! Tientallen jaren en regimes later blijven die arm en hopeloos.” Er zijn best wel hoopgevende indicatoren: sinds 1970 is de zuigelingensterfte gedaald van 86 per duizend tot 18, is de gemiddelde levensverwachting gestegen van 61 tot 75 jaar en is de alfabetiseringsgraad gestegen van 75 tot 91 procent.

Maar de economische groei in het continent leidt inderdaad en helaas niet tot een daling van de gigantische economische ongelijkheid. Aan kruispunten in Managua is het geen zeldzaam zicht dat een geblindeerd raam van een luxueuze terreinwagen even naar beneden gaat, waarna een behaarde hand wat kleingeld op de weg gooit dat door krijsende bedelaartjes van tussen de snel optrekkende wielen wordt gegrist. De zogenaamde ginicoëfficiënt, die de mate van inkomensongelijkheid weergeeft, schommelt in Latijns-Amerika tussen 0,40 (Nicaragua) en 0,57 (Honduras). Die waarden zet Latijns-Amerika wereldwijd in de top qua inkomensongelijkheid. Ter vergelijking: in België is de ginicoëfficiënt 0,33. In het gelijkheidsparadijs Zweden is dat 0,24.

Ook de Human Development Index-ranking, die scholing en levensverwachting van bevolkingen opmeet, is weinig opbeurend. De meeste Latijns-Amerikaanse landen staan vandaag lager gerangschikt dan een kwarteeuw geleden. Stond Brazilië in 1991 op plaats 60, dan is dat in 2013 stek 85. Colombia: dertig plaatsen verlies, van 61 naar 91. Uruguay, van 32 naar 51. Enzoverder. Uitschieters zijn Haïti, dat tuimelde van plaats 125 naar 161 en Venezuela, in 1991 nog nummer 44, in 2013 gezakt naar 71. Niet toevallig zijn Haïti en Venezuela volgens een andere internationale ranking, namelijk de corruptie-index van Transparency International, zeer hoog geplaatst: respectievelijk op plek 163 en 160.

Landen als Chili of Uruguay zijn behoorlijk betrouwbaar, maar globaal genomen blijft de corruptie op het continent problematisch. Her en der zie je nog steeds rijke malloten die zich een weg kopen naar de toppolitiek. Eén anekdotisch voorbeeld: kort voor de verkiezingen van 1999 in Guatemala sprak ik Alfonso Portillo, die enkele dagen later de nieuw verkozen president werd. Portillo, een macho mannetjesputter van de puurste soort, beleed zijn diepe sympathie voor ex-dictator Rios Montt en vertelde me exact waarom de Guatemalteek op hém moest stemmen: “Ik heb ooit bij een poging tot overval eigenhandig twee misdadigers doodgeschoten. Wie zijn eigen huis kan beschermen, kan een land beschermen!” Diezelfde Portillo zit nu in een Amerikaanse cel na grootschalige corruptie met Taiwan.

Milieu

Vandaag is vooral China een nieuwe economische speler. In 2000 was China goed voor amper 1 à 2 procent van de invoer uit en uitvoer naar Latijns-Amerika. In 2012 was dat al 14 procent. Het voorbeeld van het geplande Nicaragua-kanaal spreekt in dat verband tot de verbeelding.

De regering-Ortega wil samen met het Chinese bedrijf Hong Kong Nicaragua Canal Development Investing Group (HKND), van telecommagnaat Wang Jing, dwars door Nicaragua een kanaal aanleggen dat de Stille Oceaan verbindt met de Atlantische Oceaan. Het kanaal moet de concurrentie aangaan met het bekende maar verouderde Panama-kanaal en de armlastige Nicaraguaanse economie een boost vanjewelste geven. Met een lengte van 288 kilometer, een breedte van 20 meter, een diepte van 24 meter en een kostenplaatje van dertig miljard euro is het een fenomenaal project. Ter vergelijking: die kostprijs van dertig miljard is vier keer het bbp van Nicaragua.

In ruil krijgt de Chinese investeerder een hernieuwbare eigendomsconcessie van vijftig jaar en de facto controle op grote lappen Nicaraguaans grondgebied. De oppositie wijst op de meer dan waarschijnlijke teloorgang van gronden van inheemse bevolkingsgroepen en op te verwachten milieuproblemen. De bouw van het kanaal en de bijhorende havens en wegen vormen een aanslag op de fragiele ecosystemen, vrezen tegenstanders. En de zoetwatervoorraden in het Meer van Nicaragua, dat deel uitmaakt van de kanaalroute, dreigen vervuild te raken.

Ook in andere landen spoort het progressieve beleid niet met grote zorg voor het leefmilieu. Zo heeft Uruguay de twee grootste cellulosefabrieken ter wereld. Voor de productie van pulp worden eucalyptusbomen aangeplant die de biodiversiteit verschralen en vreselijk veel water uit de bodem zuigen. Nog een voorbeeld: Honduras. Om geld in het laatje te krijgen, verkoopt president Hernández intussen al dertig procent van het nationale grondgebied aan vooral Canadese mijnbouwbedrijven. Laatste voorbeeld: Ecuador. President Correa koestert er concrete plannen om olieboringen te doen in het nationale park Yasuni.

Trouwens, wie zich Latijns-Amerika vandaag voorstelt als een groen continent vol pittoreske dorpjes met kleurrijke indigenas-gewaden en dito beeldhouwwerk, die dwaalt. Reeds 79 procent van de latino’s woont in de stad. Halfweg de jaren 1970 was dat nog 60 procent. De verstedelijking neemt hand over hand toe. En wie de steden kent, weet dat die uitbreiding vaak het resultaat is van aanwassende sloppenwijken. De inwoners basisvoorzieningen zoals stromend water leveren, de chaotische mobiliteit in banen leiden, proberen planmatig de steden te beheersen, het zijn evenzovele uitdagingen voor vandaag en morgen.

Misdaad

Een tweede belangrijk probleem in het hedendaagse Latijns-Amerika is de alomtegenwoordige misdaad. Caracas, de hoofdstad van Venezuela, geniet de twijfelachtige eretitel van gevaarlijkste stad ter wereld. Een weekend met minder dan vijftig moorden staat er als ‘rustig’ geboekstaafd.

Bekend en berucht is uiteraard de Mexicaanse drugsoorlog. Al meer dan 80.000 doden zijn daar te betreuren. In februari slaagden Mexicaanse mariniers er in om Joaquín Guzmán, alias El Chapo (Het Kleintje), de leider van het Sinaloakartel, te arresteren. Een sterk staaltje en de zoveelste “capo” die van het toneel verdween. Maar een diepgaande oplossing is het niet. Het Sinaloakartel staat nog steeds sterk. En andere kartels waarvan de leiding is onthoofd, zijn opgesplitst in kleinere, maar niet minder gewelddadige fracties.

In de slipstream van de drugshandel zijn ook de gevreesde mara's of jeugdbendes in Midden-Amerika actief. De oorspronkelijke leden zijn destijds uit de Verenigde Staten terug naar huis gedeporteerd. Samen met de jongeren kwam de Amerikaanse bendecultuur terug naar het vaderland. Nu zijn vooral de mara Salvatrucha en de mara 18 veelkoppige monsters met vele duizenden aanhangers in verschillende landen. In El Salvador, Honduras en Guatemala beheersen de mara's hele stadswijken en plattelandsregio’s.

Voor jongens die geen bendelid willen worden en meisjes die geen gangsterliefje willen wezen, zit er maar één ding op: emigreren - of noem het vluchten - naar de Verenigde Staten. Op hun lange, bange tocht op het dak van vrachttreinen moeten die jongeren, vaak prille tieners, het hoofd bieden aan afpersers, mensensmokkelaars, grenswachters en politie. Dit jaar zijn al 60.000 jongeren de Amerikaanse grens overgestoken. In 2015 zouden dat er 130.000 zijn. Hallucinante cijfers. In een gesprek over de bendeproblematiek dat ik had met een sociologe in San Salvador, begon de vrouw te huilen: “Een land dat zijn eigen jongeren niet vertrouwt, heeft toch geen toekomst?”

Uitkijken

Een van de meest positieve evoluties op het continent is het verdwijnen van het klassiek links-rechtse conflict tussen regeringsleger en guerrilla. Bij politieke onrust is er geen generaal die er nog aan zou denken een coup te plegen. In het voorjaar was er het voorbeeld in El Salvador: toen de rechtse ARENA-kandidaat de verkiezing van de linkse Sánchez Cerén betwistte en betogingen organiseerde, liet het leger expliciet weten niet tussenbeide te zullen komen. Omgekeerd hebben ook de guerrillabewegingen het gewapende pad verlaten. In landen als Nicaragua en El Salvador leveren de voormalige guerrillabewegingen FSLN en FMLN zelfs de president; ook Mujica van Uruguay is een ex-guerrillero.

Colombia, de laatste van dergelijke conflicthaarden, probeert nu ook het geweld te beëindigen. In Havana zitten vertegenwoordigers van de linkse FARC-guerrilla rond de tafel met de regering-Santos. Er zijn al enkele deelakkoorden gesloten (bijvoorbeeld over landhervorming, over politieke participatie van de guerrilla …) en een alomvattend vredesakkoord lijkt geen illusie. President Santos is in juni herverkozen en kan zijn vredesdialoog dus ongestoord voortzetten. En de FARC, die zijn van 16.000 tot 8.000 strijders teruggevallen. Ook aan die kant gloort vast de redelijke vaststelling dat een gewapende overwinning een onhaalbaar perspectief is.

Ook aangaande Cuba is er terechte hoop. De Europese Unie heeft eerder dit jaar haar politiek van kille afstandelijkheid verruild voor het aanbod aan Havana om te spreken over samenwerking. De eerste verkennende vergaderingen zijn achter de rug. De echte inhoudelijke gesprekken, met een brede waaier aan onderwerpen van economie tot politieke souplesse, staan vanaf dit najaar op het menu. Het wordt spannend uitkijken welke resultaten de dialoog oplevert.

Net zo is het spannend afwachten wat de verkiezingen in het najaar zullen opleveren. In Brazilië, Bolivia en Uruguay zijn er presidentsverkiezingen. Blijft Latijns-Amerika het “rode continent” of moeten de linkse leiders met het schaamrood afdruipen?

(Marc Peirs is Latijns-Amerikawatcher voor VRT Nieuws.)

Tot het einde van de zomer publiceert deredactie.be een reeks wat langere bijdragen over evoluties die het aanschijn van de wereld traag maar zeker veranderen.

Eerder verschenen:

-'Het einde van het bankgeheim?' - Michel Maus

-'De snelle groei van de radicale islam' - Gie Goris

-'Wat als het internet uitvalt?' - Bart Van der Leenen

- De degeneratie van de banken - Ivan Van De Cloot