Over kapitalisme, ongelijkheid en democratie - John Vandaele

Laat ons beginnen met het goede nieuws. De inkomensongelijkheid tussen landen neemt af: de beruchte kloof tussen noord en zuid wordt wat minder diep. Om de simpele reden dat de economieën van de arme landen sneller groeien dan die van de rijke landen. Tussen 1960 en 2000 groeide nog geen dertig procent van de ontwikkelingslanden sneller dan de Verenigde Staten en de EU. Tussen 2000 en 2011 was al 90 procent van de ontwikkelingslanden in dat geval. Vooral in Azië zijn sinds 1990 honderden miljoenen mensen boven de absolute armoededrempel van 1,25 dollar per dag getild. Procentueel zijn er nu minder absoluut arme mensen, maar omdat de wereldbevolking sterk groeide, verdient nog altijd meer dan 1 miljard mensen minder dan 1,25 dollar/dag. Bijna een miljard mensen is ondervoed.
opinie
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

De inkomensongelijkheid binnen landen daarentegen, neemt toe. In opkomende landen als India, China of Rusland nam de ongelijkheid de voorbije decennia enorm toe. Het Brazilië van Lula ging de andere kant uit maar Brazilië vertrok dan ook vanuit een uitzonderlijke grote inkomensongelijkheid.

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) stelde vast dat de inkomensongelijkheid bij bijna al haar leden – zowat alle rijke landen – is toegenomen tussen 1985 en 2009. Het is te weinig geweten maar België is – samen met Frankrijk - een van de weinige uitzonderingen op die regel. In de VS is bijna alle groei van de voorbije dertig jaar bij de een procent rijksten beland. Die groep verdient er nu, net als in 1900, 18 procent van het totale inkomen. In West-Europa schommelt dat cijfer rond de 10 procent. De Franse econoom Thomas Piketty stelt vast dat ook de vermogensongelijkheid, traditioneel veel groter dan de inkomensongelijkheid, in veel landen is toegenomen. De rijkste tien procent bezit in de VS 70 procent van het totale vermogen, het rijkste procent haast 35 procent. In Europa liggen die cijfers iets lager. Sinds 1970 stegen ze licht in de meeste landen.

Politieke onrust

De kloof tussen arm en rijk groeit dus in de meeste landen. Daarover groeit de politieke ongerustheid, zeker in de VS waar het probleem veel scherper is. Binnenlandse en dus meer zichtbare ongelijkheid is vaak bron van sociale onrust en kan het geloof dat er kansen zijn voor iedereen onder druk zetten.

Bovendien gaat deze evolutie in tegen de voorspellingen van het dominante economische denken. Sinds het onderzoek in 1953 van de Amerikaanse econoom Simon Kuznets heet het dat industrieel kapitalisme weliswaar in een eerste fase leidt tot meer ongelijkheid maar later - als iedereen mee wordt getrokken in de moderne economie - leidt tot inkomensnivellering. Kuznets baseerde die stelling op onderzoek van de inkomensevolutie tussen 1913 en 1948 in de VS.

Die visie onderstutte ook Francis Fukuyama’s stelling dat na de val van de Berlijnse Muur kapitalisme en democratie voor eeuwig en altijd gewonnen hadden: het einde van de geschiedenis was aangebroken. Maar wat als kapitalisme zozeer tot ongelijkheid leidt dat ze de democratie ondergraaft?

Oorzaken?

Om al die redenen is er meer dan gewone interesse in de oorzaak van de groeiende ongelijkheid. Het voorbije decennium werd vooral gewezen naar globalisering en technologie. Door de globalisering – en de opname van onder meer China en India in het wereldkapitalisme - is het aantal mensen dat haar of zijn arbeid aanbiedt verdrievoudigd. De goed betaalde werknemers van de rijke landen moeten nu concurreren met mensen die hetzelfde werk voor minder loon willen doen. Die toegenomen competitie legt druk op de arbeidsinkomens.

Het kapitaal van zijn kant kon investeren waar de fiscale, sociale of ecologische voorwaarden het ‘interessantst’ waren. Fiscale spitstechnologie laat grote bedrijven in een financiële wereld zonder grenzen toe om zo goed als geen belastingen te betalen.

De opkomst van nieuwe technologieën zet de lonen van mensen die niet met die technologie om kunnen, onder druk.

Globalisering en technologie klonken nog redelijk ongevaarlijk maar de Franse econoom Thomas Piketty brengt grover geschut in stelling. In zijn boek ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’ stelt hij dat de relatieve gelijkheid die we in de meeste rijke landen tussen 1945 en 1980 hebben gekend de uitzondering op de regel van het kapitalisme is. Twee wereldoorlogen, bepaalde beleidskeuzes en veel economische groei zorgden daarvoor. Maar vanaf 1980, aldus Piketty, tendeert het kapitalisme terug naar zijn 18de een 19de eeuwse gewoonten waarin het rendement van het kapitaal een stuk hoger ligt dan de economische groei (de inkomensgroei in het algemeen dus). Als een economie elk jaar met vijf procent groeit, is het relatieve belang van erfenissen kleiner. Als er amper groei is, zijn er minder kansen om nu rijk te worden door je arbeid. Wie wil rijk worden, doet er beter aan rijk te trouwen. Dat was vroeger zo, en Piketty vreest dat die tijd terugkomt. Sommigen trekken zijn besluit in twijfel zeggende dat de groei niet zal krimpen. Of dat het rendement van kapitaal lager zal zijn.

Piketty waarschuwt dat grote ongelijkheid de democratie uitholt: de superrijke top kan dan de politiek ‘kopen’. De manier waarop de financiële wereld de politiek de regels op zijn maat liet (laat) maken, is daar een voorbeeld van.

Wat te doen?

Anders dan Marx gelooft Piketty dat de politiek het kapitalisme kan bijsturen. Dat is tussen 1930 en 1980 ook gebeurd . Met dien verstande dat de bijsturing zich toen grotendeels op nationaal niveau kon afspelen omdat het internationale kapitaalverkeer zwaar aan banden was gelegd.

Dat is nu niet het geval. Daarom pleit Piketty meteen voor een globale belasting op de inkomens uit vermogen. Dat lijkt wat utopisch.

Een fundamentele verschuiving van lasten op arbeid naar lasten op vermogen, vergt tijd. Veel hangt af van hoe de publieke opinie evolueert. In Vlaanderen – dat volgens zijn populairste politicus nochtans een rechtse grondstroom heeft – is nu al 75 procent gewonnen voor een vermogensbelasting. Als tegenover hogere lasten op vermogens aantoonbaar een verlaging van onze zeer hoge lasten op arbeid zou staan, kan die steun alleen maar groeien.

Er beweegt een en ander op allerlei niveaus. De nieuwe Brusselse regering pikte al op de trend in: ze verhoogt de lasten op onroerend goed. Mondiaal sturen de OESO-landen aan op automatische informatie-uitwisseling van financiële gegevens waardoor rijke mensen moeilijker geld kunnen verstoppen in belastingparadijzen. Lange tijd was de Europese Commissie tegenstander van de (Tobin)taks op financiële transacties. Na de bankencrisis en zodra de Commissie er een middel in zag om de eigen kas te spijzen, ging het roer om. De bankenlobby haalt nu alles uit de kast om de taks alsnog tegen te houden. Hoe dan ook, als de concentratie van rijkdom zich effectief doorzet, wordt de belasting van de grote vermogens een van de grote politieke thema’s van de komende decennia.


(John Vandaele, is MO*journalist)

 

Tot het einde van de zomer publiceert deredactie.be een reeks wat langere bijdragen over evoluties die het aanschijn van de wereld traag maar zeker veranderen.


Eerder verschenen:

-'Het einde van het bankgeheim?' - Michel Maus

-'De snelle groei van de radicale islam' - Gie Goris

-'Wat als het internet uitvalt?' - Bart Van der Leenen

- De degeneratie van de banken - Ivan Van De Cloot

- Latijns-Amerika zoekt zichzelf - Marc Peirs

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.