Tegenslag bij Tienen: 18 augustus 1914

Eind juli 1914 beseften koning Albert en de Belgische legertop dat hun troepen niet opgewassen zouden zijn tegen het Duitse leger. België verwachtte wel steun van Groot-Brittannië en Frankrijk, maar ze wisten ook dat die steun niet begin augustus 1914 ter plaatse zou zijn. Daarom beslisten ze een maximum aan tijd te winnen, de Duitsers te hinderen als het kon en het gros van het Belgisch leger te sparen.

Eerst moesten de Luikse forten zo lang mogelijk proberen weerstand te bieden. Ze waren echter niet opgewassen tegen de moderne oorlogswapens. Het laatste fort viel op 16 augustus. De weg naar het centrum van het land lag nu helemaal open voor de Duitsers.

De hoofdmacht van het Belgische leger lag dan nog achter de rivieren de Gete en de Dijle, van ongeveer Halen tot Waver. Koning Albert en de legertop kwamen tot de conclusie dat de Duitse overmacht te groot werd. Ze beslisten om Brussel niet te verdedigen en de hoofdstad werd opgegeven. Het leger kreeg op 18 augustus het bevel zich terug te trekken binnen de fortengordel rond Antwerpen. Een achterhoede moest de Duitsers opwachten aan de Gete bij Tienen en ophouden.

Tijd winnen

De Duitsers hadden de Getelinie al op 10 en 12 augustus afgetast, maar op 18 augustus 1914 wilden ze definitief voorbij dit obstakel raken om verder te kunnen oprukken richting Parijs. De grote middelen werden ingezet om bij Tienen door te stoten. Aan Belgische zijde bleven nog maar weinig troepen over: het 22e Linieregiment, dat ongeveer 2.400 officieren en manschappen telde, en een deeltje van het 3e Linieregiment.

Die Belgische troepen moesten op 18 augustus 1914, tijdens de gevechten bij Sint-Margriete-Houtem en Grimde (nu een deel van Tienen), afrekenen met allerlei tegenslagen. Dat lag niet alleen aan het gebrek aan training bij de manschappen, maar ook aan de bewapening en de voorbereiding op het terrein. Er waren onvoldoende mitrailleurs, kanonnen en vliegtuigverkenning.

De Duitsers hadden wel genoeg verkenningsvliegtuigjes en hun piloten kregen bijna vrij spel, want om munitie te besparen en de posities geheim te houden, gold aan Belgische kant een schietverbod. Ook de verdediging was zwak uitgebouwd. Op sommige plaatsen hadden de Belgische soldaten bijna geen beschutting.

Duitse overmacht

Net na het middaguur kwamen de voorposten rond Sint-Margriete-Houtem met de eerste Duitse granaten in contact. Dat bleek de Duitse tactiek te zijn: vanop een afstand de verdediging toetakelen alvorens de manschappen in te zetten. Ze hadden hun lesje wel geleerd sinds de onstuimige aanvallen te Halen op 12 augustus (Slag der Zilveren Helmen).

De Belgische voorposten werden vrijwel onmiddellijk murw geslagen. Ook de kanonnen, die zich op de heuvelrug van Sint-Margriete-Houtem, het hoogste punt van de streek, opgesteld hadden, kregen rake klappen, omdat ze opgemerkt waren vanuit de lucht.

In één van de drie batterijen was al na vijf minuten de helft van de mannen dood of gewond. Van zodra de Duitse granaten niet langer neervielen, zetten de Duitse infanteristen de aanval in op de voorposten rond Houtem. Veel tegenstand kregen ze daar niet meer. Heel wat officieren waren omgekomen en de troepen werden zo stuurloos.

De grootste tegenslag

Kolonel Guffens, de regimentsbevelhebber, gaf rond 16.30u het bevel aan zijn troepen om terug te trekken. Van de legertop had hij tot dan toe nog niets gehoord en hij besloot dan maar zelf de strijd te staken om nog meer slachtoffers te vermijden.

Vreemd genoeg had koning Albert wel degelijk reeds ’s middags een bevel om terug te trekken verstuurd en hij had dus ook de Duitse overmacht goed ingeschat. Die boodschap bereikte het regimentshoofdkwartier in Sint-Margriete-Houtem echter nooit en werd zo de grootste tegenslag van die 18e augustus.

Daarom hield kolonel Guffens plichtsbewust zijn manschappen zo lang mogelijk ter plaatse. Het 22e Linieregiment verloor 15 officieren en 295 manschappen en ook het 3e Linieregiment had veel slachtoffers. De namenlijst van het In Flanders Fields Museum vermeldt voor het ganse Belgische leger die dag 556 doden. Wat als de kolonel dat bevel wel al ’s middags had ontvangen?

Achteruit

Sint-Margriete-Houtem vormde de laatste tegenstand voor de Duitsers aan de Gete. Ze slaagden er niet in om voor 18 augustus 1914 voorbij de rivier te geraken. Zo kreeg de rest van het Belgische leger meer tijd om zich terug te trekken achter de Antwerpse fortengordel. Het 22e Linieregiment betaalde daarvoor met zo’n 300 doden een zware prijs, maar ten voordele van meer dan honderdduizend anderen.

Ruben Donvil is historicus en auteur van het boek ‘De Grote Oorlog op kleine schaal: de gevechten aan de Getelinie in Oost-Brabant 1914’ (Davidsfonds Uitgeverij, 2012)

lees ook