Ik ben een christen - Kristien Hemmerechts

Sinds ik in Ethiopië ben geweest, weet ik dat ik een christen ben. En ik weet dat ik er als een christen uitzie. Van onze fietstocht daar is me bijgebleven dat je meteen wist: hier ben ik bij christenen, hier bij moslims. Dat had niets te maken met kleding of uiterlijk, maar alles met de warmte van de ontvangst.

Alleen bij christenen was er sprake van hartelijkheid. Een enkele keer checkten ze voor alle zekerheid: ‘Are you Christians?’ – ‘Yes, yes’, zeiden we dan, waarop er breed werd geglimlacht en de harten opengingen. Als we in een moslim dorp kwamen, slaagden we er op geen enkele manier in het ijs te breken. We werden op achterdocht, argwaan of in het beste geval onverschilligheid onthaald. Het contrast met onze christenbroeders en –zusters was groot. Bij hen voelden we ons meteen thuis. De christenen wonen veelal in het centrum, de moslims in de grensgebieden – dit heel ruwweg geschetst.

Ik wil hier niet beweren dat christenen vriendelijker zijn dan moslims. Wat ik wél wil zeggen is dat er op veel plekken op deze aardbol weinig genegenheid bestaat voor niet-geloofsgenoten. Soort zoekt soort, zegt men, en dat geldt zeker ook wat godsdienst betreft. Je kunt dat betreuren en proberen te bestrijden, maar ik vrees dat het heel diep in de menselijke natuur zit ingebakken.

Je kunt opperen dat de ongelovige medemens daar geen last van hoort te hebben, die kan in een staat van religieuze neutraliteit de planeet rondreizen. Helaas bestaat die optie niet. In veel landen kun je onmogelijk geen godsdienst hebben. Op de vraag welk geloof je belijdt, kun je niet antwoorden: geen. Die mogelijkheid wordt niet voorzien en ook niet begrepen. Bij gebrek aan beter antwoord ik dus: christen. ‘I’m a Christian.’ In het Engels moet dat met hoofdletter.

Het gekke is dat ik me in verre buitenlanden ook werkelijk een christen voel. Het zal veel, zo niet alles, met traditie te maken hebben. In sociologische zin ben ik zonder enige twijfel door ‘een’ of ‘de’ christelijke cultuur gevormd, en ben ik dus een christen.
Ik moet daar de laatste tijd vaak aan denken met al die verschrikkelijke berichten over de Islamitische Staat, en de gedwongen vlucht van de Jezidis, en de vervolging van christenen in het Midden-Oosten.

Hoe zou ik reageren als ik gedwongen werd me te bekeren, als me – al dan niet letterlijk – het mes op de keel werd gezet? Mijn keuze zou snel gemaakt zijn. Ja, ja, zou ik zeggen, ik bekeer me tot welk geloof dan ook. Zo laf ben ik wel. Maar in mijn hart zou ik een christen blijven, niet uit overtuiging, en ook niet uit liefde voor het christelijke geloof, en zeker niet uit trouw aan de Kerk, maar gewoon omdat het een stukje is van wie ik ben. Ik heb nooit goed mensen begrepen die het christendom afzwoeren om het boeddhisme of hindoeïsme te omhelzen. Waarom zou je de ene godsdienst voor de andere inruilen? Wat win je daarmee? Ik zou hooguit kunnen doen ‘alsof’. Ik zou boeddhist of hindoe kunnen ‘spelen’, maar het nooit ‘zijn’.

Intussen ben ik van de christelijke rituelen vervreemd. Als ik nog eens in een mis beland, lijkt de hocuspocus met kelk en hostie me vooral bizar. Tegelijkertijd liggen de gebaren nog altijd ergens in mijn lichaam opgeslagen en kan ik ze moeiteloos meedoen. Heel wat gebeden ken ik nog altijd uit mijn hoofd en ik kan ze in flarden meezeggen.

Ik behoor natuurlijk tot een generatie die een traditioneel katholieke opvoeding heeft genoten, misschien wel de laatste zulke generatie in België. Tot mijn zestiende ging ik braaf iedere zondag naar de mis. Ik heb genoeg missen meegemaakt en hosties ingeslikt – zonder erop te bijten! – om me tot het eind van mijn dagen christen te mogen noemen, zelfs al ben ik een ongelovige, afvallige christen. Maar ik blijf dus een christen, hoe ongelovig en afvallig ook, en hoe weinig ook ik met de Kerk te maken wil hebben. Blijkbaar moet een mens zich vele kilometers verplaatsen om te beseffen wie of wat ze is. We reizen om thuis te komen.

(Kristien Hemmerechts is auteur.)

lees ook