"Ik rys uit myn asch, schooner dan ik was"

Hoe traumatisch de verwoesting van Leuven in de Eerste Wereldoorlog ook was, architecten en de overheid zagen in de wederopbouw een kans om na de oorlog een nieuwer, maar tegelijk ook ouder stadsgezicht te bouwen. Dat verliep niet zonder kritiek.

Het Leuven van voor de oorlog was er een van kleine middeleeuwse straatjes -die er nu nog zijn- afgewisseld met grote pleinen en boulevards afgezoomd met bomen. Op oude prentkaarten zie je naast oude gotische architectuur vooral ook veel witgepleisterde grote huizen in 19e eeuwse stijl. 

De verwoesting van augustus 1914 liet daar niet veel van over. De overblijvende Leuvenaars moesten zich door vier jaar bezetting worstelen, veelal wonende in houten barakken en tijdelijke kleine noodwoningen die in steen gebouwd werden tussen de ruïnes van het verwoeste stadscentrum.

Al voor de bevrijding in 1918 kruisten architecten de degens over hoe de stad heropgebouwd moest worden. Modernisten zagen hun kans om een nieuw en strak en eerder Bauhaus-achtig Leuven voor de 20e eeuw te bouwen. Niet dus, in Leuven en op de meeste andere plaatsen in ons land moesten ze in het zand bijten voor de traditionalisten die liever de "glorie van weleer" wilden recreëren, meer nog dan die ooit geweest was.

Cruciaal was daarbij de rol van de staat en de lokale overheden die in de verwoesting een kans zagen om een nieuwe stempel te drukken op de stad. De architecten die de overheid aanstelde, zouden uiteindelijk het nieuwe gezicht van Leuven bepalen.

Neo-stijlen voerden de boventoon

Het meest ingrijpend was het verschuiven van de rooilijnen van de gevels van gebouwen, waardoor de in de loop van enkele eeuwen organisch aangekoekte "koterijen" -vooral dan rond de Sint-Pieterskerk aan de Grote Markt- zouden verdwijnen. Dat moest meer ruimte creëren en zo ontstond het plein naast de Grote Markt, dat tot voor kort het Fochplein heette, naar de Franse maarschalk, maar intussen omgedoopt is tot het Rector Pieter De Somerplein. Dat plein is veel later bekend geworden met het Fonske, het standbeeld van de "kennis zuipende student".

Door enkele huizen niet herop te bouwen, konden ook elders de toegangswegen tot de Grote Markt verbreed worden. De aangestelde architecten lieten zich daar en op de Oude Markt inspireren door de bouwstijlen van de 17e en 18e eeuw, waardoor het nieuwe Leuven plots een "ouder" uitzicht kreeg dan voor de oorlog. Kijk maar naar de barokke trapgeveltjes rond de Oude en de Grote Markt.

Het was overigens niet de eerste keer dat er met de grove borstel doorheen de Grote Markt werd geschoffeld. Na een grote brand in november 1785 waren daar al veel -vooral houten- huizen verdwenen en in neobarok heropgebouwd. In de gevel van een van die huizen stond toen de slagzin "Ik rys uit myn asch, schooner dan ik was", de leidraad voor al de Leuvense architecten na de oorlog.

Hoe dan ook verliep de wederopbouw van Leuven erg snel, vooral dan tussen 1920 en 1925. De neo-stijlen overheersten, wellicht omdat ze aansloten bij de lange geschiedenis van de stad. Renaissance en barok herleefden en zelfs de Brabantse gotiek beleefde een nieuwe bloei.

Een opvallende herrijzende feniks was het Tafelrond (links). Dat oude gotische gebouw was in 1817 afgebroken en vervangen door een classicistisch wit gebouw, dat in de brand van 1914 totaal verwoest was. Bij de wederopbouw verrees op basis van oude plannen een neogotisch gebouw waarvan veel toeristen -en ook veel Leuvenaars- denken dat het mooi aansluit bij het echte gotische stadhuis en de Sint-Pieterskerk ernaast. Die zijn wel echt middeleeuws.

"Fontein van kennis" droogde niet op

Een geval apart was de heropbouw van de verwoeste universiteitsbibliotheek. De Lakenhalle (links) tussen de Naamsestraat en de Oude Markt werd in zijn oude glorie hersteld, maar verloor de functie als universiteitsbibliotheek.

Het Verdrag van Versailles had Duitsland verplicht om met geld, maar ook met boeken en manuscripten over de brug te komen om de bibliotheek opnieuw te vullen. Een doorbraak bij de wederopbouw kwam er toen kardinaal Mercier in 1919 naar de VS reisde om sympathie en steun te vragen bij Amerikaanse financiële en universitaire instellingen.

Dat had meer succes dan gedacht. Dankzij Amerikaanse dollars verrees al snel een nieuwe universiteitsbibliotheek (boven) aan de oostkant van het Volksplein, nu het Ladeuzeplein. Waar tot 1914 statige witte herenhuizen omzoomd door bomen hadden gestaan, staat nu de huidige neorenaissancegigant, compleet met "campanile" of bibliotheektoren die nu hoog boven de skyline uittorent.

De nieuwe "bib" werd plechtig geopend op 4 juli 1928, niet toevallig de nationale feestdag in de VS. Op 17 mei 1940 vielen Duitse artilleriegranaten binnen in het gebouw en in een nieuwe brand gingen 900.000 boeken verloren. Toch verrees de bibliotheek in 1950 opnieuw uit haar as tot wat ze nu is. Leuven is taai. Hoe taai merkt u als u aandachtig door de straten wandelt. De na de oorlog opgebouwde huizen dragen een "wederopbouwsteen" met zwaard, vuur en datum van heropbouw. Het zijn er veel.

"Door Duits geweld geveld, met Amerikaans geld hersteld"

Bij de wederopbouw van de "bib" moest oorspronkelijk de Latijnse tekst "Furore Tuetonico diruta, dono Americana restitua" (vertaling zie hierboven) prijken op de ballustrade. Naarmate de jaren en de bouw vorderde, wou kardinaal Ladeuze dat anti-Duitse gevoel afzwakken.

De tekst kwam er niet en de bouwvakker Felix Morren was daar zo boos over dat hij in juni 1928 de ballustrade van de nieuwe bibiotheek stuksloeg. In 1933 deed hij dat huzarenstukje nog eens over, dit keer uit protest tegen de Jodenvervolging door de nazi's in Duitsland.

(Deels gebaseerd op Yves Vanhellemont, "Wederopbouwarchitectuur te Leuven: dictaat, inspiratie of karikatuur van het verleden?", Leuvens Historisch Genootschap).

lees ook