Zwaarste gevechten in Hofstade en Schiplaken

Op 18 augustus 1914, twee weken na de Duitse inval, trok het Belgisch leger zich noodgedwongen terug achter de Antwerpse fortengordel. Op 24 augustus beslisten koning Albert en de legertop om de Duitsers aan te vallen en hen zo te dwingen extra troepen in België aan te houden, die niet konden worden gebruikt tegen de Fransen en Britten. De eerste Belgische uitval uit Antwerpen begon op 25 augustus 1914, tegen de Duitse stellingen langs een lijn van Haacht tot Wolvertem.

De streek waar de gevechten zouden plaatsvinden, was weinig geschikt voor een offensief. Het landschap werd doorkruist door een dicht netwerk van waterlopen (Zenne,Dijle en Barebeek), een kanaal (Leuven-Mechelen) en een verhoogde spoorwegberm tussen Muizen en Weerde, wat het oprukken van troepen sterk hinderde. In het midden van de aanvalszone waren er ook twee grote meren, de zogenoemde “putten van Hofstade” die men moest omzeilen.

Sommige van de zwaarste gevechten tijdens die eerste uitval vonden plaats bij Hofstade en het dorpje Schiplaken. Het werd de vuurdoop voor de circa 5.000 karabiniers en de grenadiers van de 18e gemengde brigade, onder bevel van generaal Maes. Ze moesten het gebied van Hofstade-Elewijt–Kampenhout (Over-de-Vaart) aanvallen.

Eerst veroverden ze Hofstade. De soldaten werden in het dorp geconfronteerd met barbaarse tonelen: huizen in brand, verminkte lichamen, een gedode vrouw met haar baby in de arm, overal wilde bajonetsteken. Dit hitste de gemoederen bij de Belgen heel erg op.

Ook de Amerikaanse reporter Powell stelde vast hoe gruwelijk de Duitse troepen tekeergingen tegen onschuldige burgers: "In een gehucht nabij Zemst hielp ik een oude landbouwer en zijn zoon begraven, allebei onschuldige boeren die door de Duitsers geëxecuteerd waren omdat een Belgische soldaat een Duitse ulaan voor hun huis had neergeschoten. Alsof hen doodschieten nog niet genoeg was geweest, hadden ze hen ook nog eens onherkenbaar verminkt."

Na de verovering van Hofstade rukte de gevechtsgroep op naar de bossen van Schiplaken. De coördinatie tussen de verschillende bataljons verliep moeizaam. De vordering in het bos verliep moeilijk, maar de rand werd bereikt. Onmiddellijk namen de Duitsers met hun mitrailleurs en artillerie de karabiniers onder vuur. Een Duitse tegenaanval werd afgeslagen.

Korporaal Urbain Joseph Emile Martien schreef in zijn dagboek over de "nachtmerrie" van Schiplaken: "Verwarring en paniek heersten alom.... We liepen dieper het beschuttende bos in. ... Hier en daar viel een obus op minder dan honderd meter van ons. De grond trilde, we zagen aarde opspatten, bomen krakend tegen de grond gaan, soms hoorden we verre kreten."

"Geweervuur werd luider en leek dichter bij te komen. We hielden halt op een afgesproken plaats. Daar stond, god-weet-waar vandaan gekomen, de huifkar van ons regiment gestationeerd... Enkele officieren arriveerden stil met hun paard aan de teugel. Iedereen kreeg brood en kaas te eten... De officieren kregen bundels stro uit de huifkar om op te slapen, wij infanteristen sliepen op de grond."

De fatale dag van 26 augustus 1914

De tweede dag van de veldslag begon met een hevig artillerieduel. Het Duitse vuur werd gericht door waarnemers in observatieballons. De Belgen kregen de opdracht voort aan te vallen.

In de vroege ochtend van 26 augustus rond 4 uur startte de verovering van het Steentjesbos, naast het Schiplakenbos. Om 8 uur was het volledig in handen van de Belgen. Om 9 uur kwam het bevel om verder op te rukken richting Elewijt.

Elke poging om uit het bos te breken, mislukte echter. De grenadiers en karabiniers hadden een vlak veld voor zich, waar de Duitsers verschanst zaten in loopgraven en huizen die dienst deden als mitrailleursnesten. Het Duitse geweer- en mitrailleurvuur was te hevig om door te komen. Burgers uit de buurt hadden de loopgraven in de dagen voordien in opdracht van de Duitsers gegraven.

Tegen de middag werd het Duitse artillerievuur zo accuraat dat de Belgische batterijen, onder een regen van schrapnel, zich op een drafje terugtrokken richting Hofstade. Ook de karabiniers en grenadiers kregen bevel zich terug te trekken.

Een moedige daad

Maar door een vergissing ontvingen twee bataljons karabiniers het bevel niet. Zij liepen het gevaar te worden afgesneden en vernietigd. Toen zag de Amerikaanse reporter E.A. Powell volgens hem aan de Tervuursesteenweg in Hofstade een van de moedigste daden die hij ooit aanschouwd had tijdens een veldslag.

"Om hen (de twee achtergelaten bataljons) te bereiken, moest een boodschapper een mijl over open terrein rennen terwijl schrapnel en geweervuur om hem heen raasden. Er was nauwelijks één kans op de duizend om het er levend van af te brengen."

"Een kolonel die naast mij stond onder een spoorwegbrug, riep een gendarme, gaf hem zijn orders en voegde eraan toe: "Bonne chance, mon brave!" De man …. wist dat hij de dood tegemoet reed, maar hij salueerde, zette de sporen in zijn paard en raasde de weg op, een archaïsche figuur met zijn hoge berenmuts."

"Hij raakte ongedeerd tot bij de manschappen en gaf hun het bevel tot terugtrekking, maar tijdens de aftocht werden ze met een ongewone accuraatheid bestookt door het Duitse geschut, dat granaat na granaat precies op de lopende colonne liet neervallen. Weldra lagen de weg en de omringende velden bezaaid met lijken gekleed in Belgisch blauw..."

De karabiniers en grenadiers verloren bij Schiplaken en Hofstade bijna 800 manschappen (doden, gewonden en vermisten). Tijdens de Eerste Uitval uit Antwerpen lagen de verliezen voor de Belgen in totaal boven de 4.000. De operatie was een totale mislukking, die niets had opgebracht en de zwakte van het Belgisch Leger pijnlijk had duidelijk gemaakt.

Marc Michiels is de auteur van "Sporen van de Groote Oorlog in Boortmeerbeek", augustus 2014.

Urbain Martien was de grootvader van schrijver Stefan Hertmans. De tekstfragmenten komen uit twee schriftjes van zijn grootvader met herinneringen die de schrijver verwerkte in zijn roman "Oorlog en terpentijn".

E.A. Powell, Ooggetuigen uit de Grote Oorlog. Een Amerikaanse reporter beleeft en beschrijft de strijd in Vlaanderen in 1914. (Davidsfonds, 2013)

Meest gelezen