De naargeestige jazz van Hans Teeuwen

Soms heb je van die talenten die lijken alles te kunnen. En je dan omver blazen met wat ze allemaal doen. Hans Teeuwen is zo iemand.

Ik herinner me dat ik naar “Spiksplinter” ging kijken, tot nader order de laatste zaalshow die hij maakte. Met veel reserves de zaal binnengegaan, want de man had me nog nooit helemaal overtuigd. Wel, ik werd omvergeblazen. Wervelend zonder weerga liet Teeuwen zien dat hij alles in zich heeft: bekoren, prikkelen, doen lachen en muzikaal mokeren. Ook nu weer.

Hij én zijn groep, “The Painkillers”, halen muzikaal uit, jolig en jazzy. Weer gelukt om me te overtuigen. Om niet in het eeuwige cliché te hervallen, noem ik Teeuwen maar een honderdpoot. Om intens jaloers op te zijn, wat die man allemaal tot een goed einde brengt.

Al langer dan vandaag heeft Teeuwen een voorliefde voor jazz en voor crooners. In de stijlvolle Handelsbeurs in Gent, in het kader van het Festival van Vlaanderen, wou hij nog eens zijn ei leggen. Hij met zijn band, spelen maar en zingen maar.

Swing

Al direct zet hij de toon met drie nummers die het allerbeste van de swing jazz naar boven halen. Teeuwen heeft zich omringd met een kwintet steengoede muzikanten. En als het goed is, moet het gezegd zijn. De heren Jesse van Ruller (op zijn o zo mooi gestileerde gitaar), Benjamin Herman (saxofonist), Ruben Hein (die zich op zijn piano enkele keren ongedwongen helemaal loos laat gaan), Kasper Kalf op bas en Joost Kroon op drums.

Negers met een witte huid, Hollanders uit de polder en de dijken gehouwen die jazz van ver weg spelen als de besten. Begonnen met vertolkingen uit “The great American songbook”, maar langzamerhand hebben ze eigen nummers gemaakt en dat zit zo strak als latex.

De wereld van de crooners en de typisch Amerikaanse stemmen komt tot jou. Snel valt op hoe scherp Teeuwen staat, hoe hij inpikt op elke tempowisseling, hoe hij speelt met ritme en frasering. Teeuwen is sowieso een van dé komieken van de voorbije twee decennia, maar blijkt ook een begenadigd zanger te zijn die liedjes in zijn hand wringt als plasticine tussen de vingers van een kind.

“Pennies from heaven”, een song uit de jaren dertig van Johnny Burke en en Arthur Johnston, kneedt Teeuwen zodanig dat het de vorm aanneemt van zijn stembanden. Een standard die voortbouwt op zijn eerste drie nummers en het gevoel en de eigenheid van jazz uit die tijd in de zaal gooit.

Wat volgt, is een aaneenschakeling van goed klinkende, juist zittende songs. Waar Teeuwen zich volledig laat gaan. Hij heeft niet het stembereik van zijn grote voorbeelden, laat ons eerlijk zijn, maar hij zingt meer dan goed genoeg om het allemaal te geloven. En ja, hij is toonvast, en zijn timing zit perfect. Zijn eigen teksten meestal, ze zijn cru en donker, hijzelf noemt ze “naargeestig”. De muziek maakt je vrolijk, maar dan mag je toch niet te veel naar de teksten luisteren. Het Teeuwen-universum.

Music first!

Hij houdt het strak, heeft amper bindteksten en is de hele tijd amper geneigd om het publiek als komiek te bespelen. Neen, hij is “the leader of the band”, die heel soms tussenin iets grappigs declameert. Wie naar hier is gekomen om de halfgekke komiek te horen uithalen, is eraan voor de moeite. En zo waren er wel wat mensen, die graag wat meer de doorrazende komiek hadden gezien. Maar dat is voor een ander podium, voor een ander moment. Tijd voor muziekjes.

Waar Teeuwen zich doorwurmt op zijn manier: met zijn typische hoekige bewegingen, zijn pasjes op het podium als van een pinguïn, en zijn uitgesproken kop die spichtig, maar alert de zaal inkijkt. Als hij al iets zou moeten compenseren, dan doet hij dat met die enorme présence van hem. Geef de man een podium en hij wordt wakker.

Scatting industry

Ook gezien en gehoord: iemand die kan “scatten” als de beste, zeg maar klanken en onverstaanbare lettergrepen gebruiken als instrument. Ene Ella Fitzgerald is er ooit mee begonnen. Teeuwen durft het ook aan. Wat verraadt wat ik al lang wist: Teeuwen is muzikaal zeer begaafd (als hij in zijn cabaretstukken zijn piano uithaalt, dan weet je ’t wel). En zo sleurt hij alles en iedereen mee, ook de zaal.

Op het einde van de set laat Teeuwen toch eventjes zijn cabaretverleden binnenkomen. Hij zingt een jazzy versie van zijn bekend finalestuk “Snelkookpan” uit “Industry if love”. En brengt het lied over lekker drinken en broodje worst uit zijn recentste voorstelling. Voor de rest geen geintjes, geen onnozelheden, Teeuwen wil “the leader of the band zijn”. En geboren entertainer, een man van voorbij de veertig die zijn ADHD moet controleren en dan maar anderen aanvuurt. Zijn groep onder meer.

Nu vrijdag speelt Teeuwen nog eens in Antwerpen. Op het Live Comedy-festival dat trouwens heel wat grote (voornamelijk Engelse) namen naar ons land haalt. Het moment om eens iets mee te pikken is dat. Misschien brengt Teeuwen dan iets meer uit zijn aankomende, nieuwe plaat. Daarop Nederlandstalige nummers. Maar ik moet zeggen dat ik daarop minder zit te wachten. Dan is hij veel meer de cabaretier die eens een liedje zingt. Terwijl hij zoveel hoger staat.

De echte jazz freaks zullen Hans Teeuwen & The Painkillers misschien maar Spielerei vinden. En zo is het eigenlijk ook. Een gek kind speelt zijn favoriete spelletje en zingt vrolijk donkere deuntjes. Geen Tony Bennett of Frank Sinatra, neen. Maar wel een Teeuwen met passie en overgave.

“How it aches” heet de plaat, maar pijn heb ik niet gevoeld. Wel verwondering. Over dat één iemand zoveel talent kan hebben. Ik ben bijna dansend de zaal uitgegaan. Bijna. Een mens moet nu ook niet overdrijven. Snelkookpan!