De oorlog van Obama is niet die van Bush - Bert De Vroey

Er valt heel veel aan te merken op het buitenlands beleid van Barack Obama. Met name in het Midden-Oosten heeft de president een weifelende, ja zelfs zwalpende koers gevolgd die meer kwaad dan goed heeft gedaan. Maar wanneer Obama nu zonder veel nuances op één lijn wordt geplaatst met George W. Bush, omdat ze allebei een militaire operatie in Irak hebben gelanceerd, dan lijkt dat niet alleen een luie lezing van de gebeurtenissen, maar ook een intellectueel oneerlijke analyse.
analyse
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

De oorlog van Bush

Toen Bush, op aangeven van zijn neoconservatieve ministers en adviseurs, besloot om Irak aan te vallen en om het regime van Saddam Hoessein ten val te brengen, motiveerde hij dat besluit door te verwijzen naar de massavernietigingswapens waarover Saddam zou hebben beschikt. Bovendien voerde de regering-Bush aan dat Saddam banden had met Al Qaeda - en kort na de aanslagen van 2001 leek dat een verpletterend argument.

Intussen is al lang gebleken dat er geen massavernietigingswapens gevonden zijn in Irak. En ook de aantijgingen van banden met terreur bleken totaal gefabriceerd. Bush begon een oorlog tegen Irak omdat hij terroristen zag waar er geen waren.

De oorlog van Obama

Voor Obama liggen de kaarten helemaal anders. In zekere zin zou je de president zelfs het omgekeerde kunnen verwijten: in zijn haast om weer uit Irak te vertrekken, heeft Obama de islamistische terreurdreiging genegeerd of, op zijn zachtst gezegd, onderschat.

Ruim tien jaar geleden bezondigden de Amerikaanse inlichtingendiensten zich aan een kwalijk soort ‘groepsdenken’: op verzoek van de neo-conservatieve hofhouding van Bush zetten ze de terreurdreiging dik in de verf - toen compleet ten onrechte. De voorbije jaren hebben ze mogelijk een gelijkaardige fout gemaakt - in omgekeerde zin. Om de oorlogsvermoeide regering-Obama terwille te zijn, hebben ze het herstel en de groei van de extremistische bewegingen in Irak misschien wel te weinig aandacht en prioriteit geschonken.

Olifant

Dat Obama inmiddels besloten heeft om toch in te grijpen in Irak - en ook in Syrië - is dus van een totaal andere orde dan de oorlog van George W. Bush. Er was en is wel degelijk een dreiging aanwezig van een extremistisch-islamistische beweging die je als terreurorganisatie kan beschouwen en die, zoals bekend, een afsplitsing is van Al Qaeda.

Zelfs al zou je kunnen aanvoeren dat ISIS oorspronkelijk geen internationale agenda had die verder reikte dan de vestiging van een kalifaat in Syrië en Irak, dan nog zijn er voor een wereldmacht als de VS - en voor Europa- goede redenen en zinvolle strategische overwegingen om de beweging aan te pakken en de pas af te snijden.

1) IS had van meet af aan een haast unieke internationale jihadistische uitstraling, die bijdraagt aan de potentiële radicalisering van moslims over de hele wereld - ook in het westen. De aanslag op het joods museum, gepleegd door een voormalige Syrië-strijder van IS, heeft aangetoond dat die radicalisering kan uitmonden in geweld.

2) IS kan op termijn een bedreiging vormen voor landen als Jordanië, Libanon en Turkije - bondgenoten van de VS en van het westen.

3) IS maakt zich overduidelijk schuldig aan doelgerichte oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en misschien zelfs genocide – door minderheidsgroepen op te jagen en uit te moorden. Op die basis kan je zelfs het VN-principe van de responsibility to protect inroepen om met een internationale coalitie in te grijpen.

Je kan discuteren over het gewicht en de zuiverheid van die drie argumenten, en zelfs over de bredere uitgangspunten van de westerse opstelling in het Midden-Oosten. Maar gegeven het feit dat de VS en Europa nog steeds belangen te verdedigen hèbben en willen veilig stellen in de regio, en dat ze bovendien moeten waken over de veiligheid op hun eigen grondgebied, vallen die argumenten als zodanig moeilijk te negeren door die landen. Waar Bush de redenen voor zijn ingrijpen in Irak liet fabriceren en kunstmatig aandikken, stonden ze voor Obama als de spreekwoordelijke olifant in zijn ovale werkkamer.

Te laat?

De bevlogen en welbespraakte president had, kort na zijn ambtstermijn, wellicht wat minder moeten speechen in het Midden-Oosten en wat minder fors de idealen gaan verkondigen van democratisering en vrijheid. Dat heeft vermoedelijk verwachtingen gewekt en misschien zelfs (zullen we dat ooit kunnen nagaan?) een duwtje gegeven aan de revoluties van de Arabische lente. Want toen de Arabische lente een beetje messy werd en tot burgeroorlogen en geweld leidde, gaf de regering-Obama niet thuis. Ze zwalpte tussen steun aan de revoluties en steun aan de dictators (in Egypte, Libië, Bahrein of Syrië) waardoor heel wat opstandige groepen hun vertrouwen in de VS en het westen in ijltempo verloren en van de weeromstuit de islamistische kaart gingen trekken.

Toen Obama dat eindelijk inzag, was het te laat. Het Midden-Oosten zal nog jaren het toneel blijven van conflicten en bloedige chaos. Maar de president heeft nu besloten dat niets doen geen optie meer is. Zelfs al moet hij daarvoor een nieuwe militaire operatie lanceren … in Irak.

(Bert De Vroey is VRT-journalist en kenner van de VS en de internationale politiek.)