Waarom zijn de politiebonden boos?

De vakbonden van de politie zijn niet alleen boos over het feit dat ze pas op 62 met pensioen kunnen gaan, ze hebben nog een hele reeks andere eisen en vrezen voor een uitholling van hun statuut.

Sinds de hervorming van de politie in 2001, konden sommige politiemensen al op 56 jaar met pensioen. Dat gold voor de voormalige rijkswachters. Voor het merendeel van het personeel lag de pensioenleeftijd op 58 en voor officieren en het burgerpersoneel op 60 jaar.

Nadat de regering de algemene minimum pensioenleeftijd van 60 op 62 jaar had gebracht, trok de politievakbond Sypol naar het Grondwettelijk Hof. Maar dat oordeelde dat er sprake is van discriminatie zodat voortaan iedereen pas op pensioen zou kunnen op 62 jaar. Voor agenten die dicht bij hun pensioen stonden, betekent dat dat ze tot zes jaar langer zullen moeten werken. Er zijn immers geen overgangsmaatregelen om de nieuwe pensioenleeftijd langzaam in te voeren.

Statuut

Maar naast hun grieven over de pensioenen zijn de bonden ook bezorgd over een reeks andere punten. Zo is er sprake van om te beknibbelen op de vergoedingen voor onregelmatige diensten zoals nacht- en weekendwerk en overuren. Ook het aantal ziektedagen zou in vraag worden gesteld.

De bonden zijn ook niet te spreken over de wervingsstop die is ingevoerd. Van de 1.450 rekruten die beloofd waren, zullen er 300 niet aangenomen worden. Bovendien beloopt het personeelstekort eigenlijk 3.000 manschappen, aldus de bonden.

Meer algemeen vrezen de bonden voor de uitholling van hun statuut dat ze na de politiehervorming van 2001 hebben gekregen en de verworvenheden die daarmee samenhangen. Volgens hen is de huidige aanval op de pensioenen nog maar een eerste test voor toekomstige ingrepen.